De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat verweerder niet aan zijn informatieplicht had voldaan en dat de maatregel onrechtmatig was vanwege het ontbreken van relevante stukken en het niet toepassen van een lichter middel.
De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk aan de informatieplicht had voldaan, aangezien de asielaanvraag en relevante besluiten in het dossier waren opgenomen. De rechtbank vond dat zij over voldoende informatie beschikte om de voortvarendheid van verweerder te beoordelen en zag geen schending van het recht op een eerlijk proces.
Verder overwoog de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelde door tijdig vertrekgesprekken te voeren en de lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in te dienen. Het beroep op toepassing van een lichter middel werd verworpen omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij over een verblijfsrecht in Frankrijk beschikte en het risico op onttrekking aan toezicht reëel was.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat het familie- en gezinsleven van eiser en het non-refoulementbeginsel zich niet verzetten tegen zijn verwijdering. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.