ECLI:NL:RBDHA:2025:27158

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/3365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening 2018/1139Verordening 1178/2011AMC12 MED.B.095MED.B.065 NeurologyArt. MED.B.001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag medisch certificaat LAPL voor ballonvaren na epileptische aanval

Eiser vroeg op 13 november 2023 een medisch certificaat klasse 2 en/of LAPL aan om te mogen ballonvaren. Na een keuring door een luchtvaartgeneeskundige keuringsarts werd vastgesteld dat eiser niet voldeed aan de medische eisen vanwege een epileptische aanval in januari 2019 en het ontbreken van een periode van minimaal vijf jaar aanvalsvrij zonder medicatie.

Verweerder wees de aanvraag af op basis van de Acceptable Means of Compliance (AMC) van de Europese luchtvaartregelgeving, die niet bindend maar wel leidend zijn voor de beoordeling. Eiser voerde aan dat zijn persoonlijke situatie, waaronder het eenmalige karakter van de aanval, het lage recidiverisico en het preventieve medicatiegebruik, onvoldoende werd meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de AMC-richtlijnen hanteerde en dat de aangevoerde bijzondere omstandigheden niet zodanig waren dat van deze richtlijnen afgeweken moest worden. De verschillen tussen ballonvaren en gemotoriseerde luchtvaart rechtvaardigen volgens de rechtbank geen lagere veiligheidsnorm.

Het beroep is ongegrond verklaard, het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding toegekend. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van het medisch certificaat LAPL vanwege onvoldoende aanvalsvrije periode na epileptische aanval.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/3365

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] ( [land] ), eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. 't Hart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een medisch certificaat klasse 2 en/of LAPL [1] .
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door drs. W. Tse.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 13 november 2023 een aanvraag ingediend voor een medisch certificaat klasse 2 om te kunnen ballonvaren. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een keuring plaatsgevonden door de luchtvaartgeneeskundige keuringsarts (AME) [2] van het Sky Medical Center. Deze komt tot de conclusie dat eiser niet aan de keuringseisen voldoet. Eiser heeft in januari 2019 een epileptische aanval gehad en is volgens het medisch onderzoek niet minimaal tien jaar aanvalsvrij zonder medicatiegebruik. [3] In het primaire besluit volgt verweerder dit en beoordeelt hij aanvullend dat eiser ook niet voldoet aan de eisen van een medisch certificaat LAPL, omdat hij niet minimaal vijf jaar aanvalsvrij is zonder medicatiegebruik. [4] Verweerder is in het bestreden besluit – op basis van een advies van de Onafhankelijk Medisch Adviseurs (OMA’s) van 24 maart 2025 – bij dat oordeel gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt eiser dat de in de
Acceptable Means of Compliance(AMC) [5] opgenomen normen niet bindend zijn en dat verweerder daarom zijn persoonlijke omstandigheden had moeten meewegen. Uit rapporten van neurologen van ziekenhuizen in Geel en Gent (België) volgt namelijk dat er sprake is geweest van een eenmalige epileptische aanval, dat er geen aanwijzingen zijn voor een epileptische stoornis, dat het recidiverisico laag is en dat de gegeven medicatie slechts preventief is geweest. Ook is het individueel risicoprofiel van eiser klein. Verweerder en de OMA’s hebben hier volgens eiser geen rekening mee gehouden. Daar komt bij dat de OMA’s niet hebben betrokken dat eisers epileptische aanval was uitgelokt als gevolg van slaapdeprivatie en dat er geen sprake is (geweest) van actieve epilepsie. Tot slot wijst hij erop dat verweerder er ook geen rekening mee heeft gehouden dat de medische eisen voor de ballonvaart minder strikt zijn dan bij de gemotoriseerde luchtvaart.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Hoewel uit de beroepsgronden van eiser zou kunnen worden afgeleid dat de afwijzing van het medisch certificaat klasse 2 niet meer ter discussie staat, heeft hij op zitting aangegeven ook daar graag een oordeel over te willen. Aan het betoog over dat certificaat komt de rechtbank echter niet meer toe. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder eiser een LAPL-certificaat mocht weigeren. Nu verweerder het “mindere” (lees: LAPL) mocht weigeren, hoeft aan een bespreking van het “meerdere” (lees: klasse 2) niet meer te worden toegekomen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot het oordeel is gekomen dat de afgifte van het LAPL-certificaat mocht worden geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Welke regels zijn in deze zaak van belang?
5. In Verordening 2018/1139 is bepaald dat piloten aan de essentiële eisen moeten voldoen en dat zij daartoe een certificaat kunnen aanvragen. Uitgangspunt hierbij is dat ten allen tijde een hoog en uniform niveau van veiligheid in de luchtvaart wordt gewaarborgd. Er moet sprake zijn van een passende beoordeling die is gebaseerd op de beste praktijken uit de luchtvaartgeneeskunde.
5.1.
Deze veiligheidseisen zijn verder uitgewerkt in Verordening 1178/2011. In bijlage IV, subdeel B, bij deze Verordening, staat onder MED.B.001 dat “het luchtvaartgeneeskundig centrum of de bevoegde keuringsarts de nodige aandacht [moet] schenken aan MED.B.095”. In MED.B.095 staat dat een aanvrager van een medisch certificaat voor LAPL wordt beoordeeld op basis van beste luchtvaartgeneeskundige praktijken. Op grond van Verordening 2018/1139 stelt EASA specificaties en aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren op. Het EASA heeft op basis hiervan – in overleg met de lidstaten en de sector – aanvaardbare wijzen van naleving (AMC) en richtsnoeren (
Guidance Material, GM) vastgesteld. AMC’s zijn niet bindende standaarden die kunnen worden gebruikt door personen en organisaties om aan te tonen dat ze voldoen aan de bepalingen van en bijlagen bij de verordeningen. GM’s zijn niet bindende richtsnoeren die kunnen helpen bij de uitleg en interpretatie van de verordeningen. Voor de invulling van de bepalingen uit de Verordeningen in de AMC’s en GM’s is gekozen uit een oogpunt van rechtszekerheid en om bij te dragen aan een uniforme implementatie en uitvoering van de regelgeving. Op 28 januari 2019 heeft de EASA de ‘
AMC and GM to Part-MED Medical requirements for air crew’ uitgegeven. In AMC12 MED.B.095 ‘
Medical examination and assessment of applicants for LAPL medical certificates [LAPL]’ staat het volgende:
“(a) Epilepsy and seizures
(1) Applicants with an established diagnosis of and under treatment for epilepsy should be assessed as unfit. A re-assessment after all treatment has been stopped for at least 5 years should include a review of neurological reports.
(2) Applicants may be assessed as fit if:
(i) there is a history of a single afebrile epileptiform seizure considered to have a very low risk of recurrence;
(ii) there has been no recurrence after at least 5 years off treatment;
(iii) a cause has been identified and treated and there is no evidence of continuing predisposition to epilepsy.”
5.2.
Partijen zijn het erover eens dat de AMC’s niet bindend zijn en dat verweerder discretionaire ruimte heeft bij zijn beoordeling of aan de essentiële eisen voor verlening van een certificaat is voldaan. Zij verschillen van mening wat daarbij de betekenis is van de AMC’s. Voor verweerder vormen deze het uitgangspunt. Hij vindt dat alleen in geval van bijzondere omstandigheden hiervan moet worden afgeweken. Eiser ziet dit anders en is van mening dat de persoonlijke situatie leidend is en niet de AMC’s.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich – gelet op de opzet, context en achtergrond van de regelgeving zoals hiervoor samengevat – terecht op het standpunt dat hij als uitgangspunt de richtsnoeren van de AMC’s mag hanteren, zolang hij in zijn besluitvorming rekening houdt met de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat niet aan de richtsnoeren kan worden vastgehouden.
Mocht verweerder in dit geval toepassing geven aan AMC12 MED.B.095?
5.4.
Eiser vindt dat verweerder ten onrechte toepassing geeft aan AMC12 MED.B.095. Hij vindt namelijk dat het nog maar de vraag is of er in 2019 sprake was van (actieve) epilepsie, nu er volgens enkele standaarden meer dan één aanval nodig is om daarvan te kunnen uitgaan en omdat een specialist recent heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor een epileptische stoornis.
5.5.
Zoals op zitting ook is vastgesteld is tussen partijen niet in geschil dat er in januari 2019 een voorval was dat is gediagnosticeerd als epilepsie, dat om die reden medicatie is voorgeschreven, dat in augustus 2023 met die medicatie is gestopt en dat het risico op een volgende epileptische aanval op dit moment niet groot is.
5.6.
Verweerder mocht er – op basis van het incident in 2019 en de destijds gestelde diagnose alsmede de in dat kader voorgeschreven medicatie – van uitgaan dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in AMC12 MED.B.095, waarbij er sprake is van een geschiedenis met één enkele epileptische episode. Ook mocht verweerder ervan uitgaan dat met de voorgeschreven medicatie sprake is geweest van een behandeling als bedoeld in AMC12 MED.B.095. Eiser heeft deze medicatie gekregen omdat – zoals onder meer volgt uit de reactie van de neuroloog van het ziekenhuis in Geel – na de aanval het EEG epileptogeen gestoord was en toen een hoog risico op herhaling bestond. [6] Dat dit, zoals eiser stelt, een preventieve behandeling zou zijn en dat het risico op een vervolgaanval niet groot is, maakt dit niet anders. Dat verweerder de bevindingen van de medisch specialisten in Geel en Gent niet heeft betrokken kan, zoals volgt uit het voorgaande, niet slagen. Dat de OMA’s de bevindingen van de specialisten niet hebben betrokken volgt de rechtbank ook niet, nu deze de bevindingen wel expliciet door de OMA’s betrokken zijn.
Mocht verweerder vinden dat er geen sprake is van omstandigheden die maken dat hij van de AMC12 MED.B.095 had moeten afwijken?
5.7.
Eiser heeft gewezen op de volgende omstandigheden, die volgens hem maken dat verweerder van AMC12 MED.B.095 had moeten afwijken:
  • het epileptisch incident in 2019 was na een slaaptekort;
  • hij heeft nadien geen incident meer gehad;
  • de medicatie was in zijn geval preventief;
  • voor ballonvaren hoeft de lat niet zo hoog te liggen als voor het besturen van een vliegtuig; en
  • het recidiverisico is niet groot.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen oordelen dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder gehouden was om af te wijken van het in AMC12 MED.B.095 opgenomen richtsnoer. Daarbij weegt mee dat deze AMC juist ziet op de situatie waarin er slechts sprake is geweest van één incident en dat het recidiverisico in situaties met maar één incident met het verstrijken der jaren wel vaker niet zo groot meer zal zijn. Hoewel eiser op zitting terecht heeft gewezen op fundamentele verschillen tussen ballonvaren enerzijds en het vliegen in een vliegtuig anderzijds, hoefde verweerder deze verschillen niet van dien aard te achten om de lat voor ballonvaren lager te leggen dan deze in AMC12 MED.B.095 (onder meer) voor ballonvaren is gelegd.
5.9.
Eiser heeft een passie voor ballonvaren, heeft zijn theoretische examen al behaald en had gehoopt hier snel mee aan de slag te kunnen in de praktijk. De rechtbank begrijpt dan ook dat de impact van het bestreden besluit groot is voor eiser. De rechtbank kan bovendien begrijpen dat het voor eiser moeilijk te accepteren is dat hij niet mag ballonvaren, terwijl het risico op een volgende epileptische aanval niet als groot wordt aangemerkt. Verweerder mag de veiligheidslat – in het licht van de regelgeving zoals die hiervoor is samengevat – echter hoog leggen en hoefde daarom in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding te zien voor verlening van het LAPL-certificaat. Alhoewel niet in geschil is dat de AMC’s niet bindend zijn, mocht verweerder daarbij betrekken dat met de invulling van de uitvoeringsvoorschriften door de EASA wordt gezorgd voor rechtszekerheid en wordt bijgedragen aan een uniforme implementatie en uitvoering van de regelgeving met betrekking tot de medische geschiktheid.
5.10.
Eisers beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser voor de afgifte van een medisch certificaat klasse 2 en/of LAPL mocht afwijzen. Daarmee is het beroep ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Artikelen MED.B.065 Neurology en AMC2 MED.B.065 Neurology in Annex IV (Part-MED), subpart B, section 2 van de EU-verordening 1178/2011.
4.Artikel AMC12 MED.B.095 in Annex IV (Part-MED), subpart B, section 3 van de EU-verordening 1178/2011.
5.Dit zijn richtlijnen van de EASA (Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (
6.Zie bijlage 9 bij de gronden van beroep.