ECLI:NL:RBDHA:2025:27183
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker diende op 11 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 16 april 2025 af in de algemene procedure, met de motivering dat de aanvraag kennelijk ongegrond was. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening samen met een gerelateerde zaak op 12 september 2025. Tijdens deze zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig.
Op 17 december 2025 deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.18690). Gezien deze uitspraak achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan op het beroep.