ECLI:NL:RBDHA:2025:27203

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24/13080
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 3.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6.5a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 EVRMArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inreisverbod van twee jaar wegens overschrijding vrije termijn verblijf

Eiser is geconfronteerd met een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie wegens overschrijding van de toegestane verblijfsduur in Nederland. Hij betwist dit besluit en voert onder meer aan dat het inreisverbod in strijd is met zijn recht op privé- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM, vanwege zijn familiebanden in Italië en een lopende procedure voor het verkrijgen van het Italiaans staatsburgerschap.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het terugkeerbesluit en dat hij de terugkeerverplichting is nagekomen. Tevens is vastgesteld dat eiser meer dan 90 dagen de vrije verblijfsperiode heeft overschreden, wat de minister de wettelijke grond geeft om een inreisverbod van maximaal twee jaar op te leggen.

De rechtbank oordeelt dat de enkele verklaring van eiser over zijn familiebanden en staatsburgerschap onvoldoende is onderbouwd met objectieve stukken en dat hij niet heeft aangetoond dat het inreisverbod een onevenredige inbreuk vormt op zijn rechten onder artikel 8 EVRM Pro. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het inreisverbod van kracht.

Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod van twee jaar wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/13080
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een uitgevaardigd inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister een inreisverbod voor de duur van twee jaar mocht uitvaardigen aan eiser.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een inreisverbod mocht uitvaardigen aan eiser. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Met het besluit van 26 juni 2024 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod.
2.2.
Met het besluit van 25 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, C.J. Ferreira Bess als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft op verzoek van partijen met toepassing van artikel 8:64 van Pro de Awb [1] het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen stukken in te dienen met betrekking tot zijn gewenste opheffing van het inreisverbod en de minister in de gelegenheid te stellen om deze stukken te beoordelen.
2.5.
Eiser heeft op 4 december 2025 stukken overgelegd. Met een brief van 9 december 2025 heeft de minister de rechtbank vervolgens geïnformeerd dat zij geen reden ziet om het inreisverbod van eiser op te heffen. Eiser heeft volgens de minister met de overgelegde stukken namelijk niet aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod voldoet. Uit de stukken van eiser volgt namelijk niet dat hij vanaf
25 juli 2024 meer dan één jaar buiten de Europese Unie heeft verbleven.
2.6.
De rechtbank heeft partijen vervolgens laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en het onderzoek gesloten. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak enkel het bestreden besluit en niet of eiser voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3.1.
Uit artikel 66a, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat de minister een inreisverbod kan uitvaardigen tegen de vreemdeling die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.
3.2.
Op grond van artikel 3.3, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is het voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan 90 dagen naar Nederland zijn gekomen toegestaan om 90 dagen in Nederland te verblijven (de vrije termijn). Uit paragraaf A4/2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat de minister een inreisverbod uitvaardigt op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw tegen een vreemdeling die de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten.
3.3.
Artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb in samenhang gelezen met artikel 66a, vierde lid, van de Vw, bepaalt dat de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren bedraagt. In geval de vrije termijn met meer dan 90 dagen is overschreden, volgt uit paragraaf A4/2.3. van de Vc dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
3.4.
Op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw kan de minister in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Uit paragraaf A4/2.2. van de Vc blijkt dat aan de vreemdeling geen inreisverbod wordt uitgevaardigd als dit een schending van artikel 8 van Pro het EVRM [2] betekent.
Overwegingen
4. Eiser voert aan dat hij in een juridische procedure zit voor verkrijging van het Italiaans staatsburgerschap en dat hij in Italië ook familiebanden heeft. De moeder van eiser woont in Italië en is getrouwd met een Italiaanse staatsburger. Het inreisverbod is daarom in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
5. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister aan eiser een inreisverbod uitvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het op 26 juni 2024 opgelegde terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit staat dan ook in rechte vast. Eiser heeft per die datum ook voldaan aan de terugkeerverplichting. Ook stelt de rechtbank vast dat uit het ‘proces-verbaal van bevindingen voornemen procedure inreisverbod’ blijkt dat de minister heeft vastgesteld dat eiseres in totaal 684 dagen onrechtmatig heeft verbleven in het Schengengebied. Eiser heeft dit ook niet betwist. De vrije termijn is daarmee met meer dan 90 dagen overschreden door eiser. Op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw in samenhang bezien met de bepalingen in paragraaf A4/2.3. van de Vc bestond voor de minister dan ook de mogelijkheid een inreisverbod op te leggen aan eiser voor de duur van twee jaar.
7. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de enkele verklaring van eiser dat zijn moeder in Italië woont en dat hij in een juridische procedure zit voor het Italiaans staatsburgerschap onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft deze verklaringen namelijk niet onderbouwd met objectieve stukken. Daarnaast heeft eiser niet toegelicht waarom door deze gestelde omstandigheden een onevenredige of met artikel 8 van Pro het EVRM strijdige situatie ontstaat. De minister heeft daarom geen reden hoeven te zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.