ECLI:NL:RBDHA:2025:27208
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende onderbouwing familieband en terugkeervoornemen
Eiser, een Afghaanse staatsburger geboren in 1948, verzocht op 15 juli 2024 om een visum kort verblijf om zijn dochter te bezoeken. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfels over het terugkeervoornemen.
De rechtbank constateerde dat de minister onjuiste informatie in het verweerschrift had opgenomen over het ontbreken van bewijs van de familieband, terwijl eiser juist documenten had overgelegd die deze band aantonen. Ook was de minister niet op zitting verschenen en was het verweerschrift summier.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke en algemene situatie in Afghanistan, waaronder de economische binding die door de dochter van eiser was toegelicht. De sociale binding was niet adequaat gemotiveerd.
De rechtbank stelde dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid en niet deugdelijk had gemotiveerd. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook een hoorzitting wordt aanbevolen.
De minister werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.