ECLI:NL:RBDHA:2025:27217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.61908
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 4.39 VbVreemdelingenwet 2000Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is geconfronteerd met een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het binnenkomen zonder geldig paspoort en visum, het onttrekken aan toezicht, het niet naleven van vertrekplicht en het verstrekken van tegenstrijdige gegevens over identiteit.

Eiser betwist de gronden gemotiveerd, maar de rechtbank oordeelt dat de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd. Ook de lichte gronden, waaronder het ontbreken van een geldig verblijfsdocument, meerdere mislukte verblijfsaanvragen, geen vaste verblijfplaats en onvoldoende middelen, zijn onbetwist en onderbouwen het risico op onderduiken.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht de maatregel van bewaring heeft opgelegd en dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61908

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft op 24 december 2025 om 17:00 uur het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb [2] , als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de maatregel van bewaring gemotiveerd betwist. De rechtbank zal hierna de relevante en van belang zijnde gronden bespreken.
Zware gronden
4. Eiser heeft de tegenwerping van de zware gronden zoals hiervoor genoemd gemotiveerd betwist. De rechtbank zal dit hieronder per onderdeel bespreken.
Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser Nederland is binnengekomen zonder geldig paspoort en visum waardoor deze zware grond feitelijk juist is. Dit is voldoende om deze grond te kunnen tegenwerpen. Het beroep van eiser gericht tegen deze zware grond slaagt niet.
Onttrekken aan toezicht
6. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is (geweest) van het onttrekken aan toezicht, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Hierbij is van belang dat onder meer uit het in de maatregel van bewaring opgenomen procedure-overzicht blijkt dat eiser reeds eerder met onbekende bestemming is vertrokken nadat hij een asielaanvraag hier te lande had ingediend. Bovendien volgt uit artikel 4.39 van het Vb dat eiser zich onmiddellijk dient te melden bij een korpschef wanneer hij zich illegaal in Nederland bevindt, hetgeen hij heeft nagelaten. Hiermee is sprake van onttrekken aan toezicht zoals hier bedoeld. De aangevoerde gronden treffen derhalve geen doel.
Geen gevolg aan verplichting tot terugkeer
7. Eiser stelt allereerst dat hij nimmer de beschikking, waarin hem een vertrekplicht wordt opgelegd, heeft ontvangen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling, nu uit het procesdossier blijkt dat de betreffende beschikkingen van 3 mei 2023 en 10 april 2024 waaruit de vertrekverplichting blijkt, aan eiser kenbaar zijn gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser tegen de genoemde beschikking van 10 april 2024 tijdig beroep heeft ingesteld, zodat niet aannemelijk is dat eiser geen kennis heeft genomen van deze beschikking. Niet in geschil is dat eiser zich niet heeft gehouden aan deze vertrekplicht. De aangevoerde gronden kunnen derhalve niet slagen. De minister heeft eiser derhalve de zware grond genoemd onder 3c kunnen tegenwerpen.
Verstrekken onjuiste of tegenstrijdige gegevens
8. Eiser stelt dat deze grond hem ten onrechte is tegengeworpen, nu hij nimmer in het bezit is geweest van identiteitsdocumenten. De rechtbank volgt eiser niet. Van belang hierbij is dat eiser, onbetwist, in diverse Europese landen, waaronder ook Nederland, veel verschillende namen en geboortedata heeft gebruikt. De minister heeft deze ook opgenomen in de maatregel van bewaring. Dat eiser nimmer een identiteitsdocument zou hebben gehad doet hieraan niet af, nu dit hem niet kan beletten juist te verklaren omtrent zijn identiteit. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Te kennen geven geen gevolg geven aan verplichting tot terugkeer
9. Eiser betwist de feitelijke juistheid van deze beroepsgrond niet maar stelt dat deze niet aan hem mag worden tegengeworpen, nu hij asiel heeft aangevraagd hier te lande. Nu eiser de feitelijke juistheid niet betwist is dit reeds voldoende om deze zware grond te kunnen tegenwerpen.
Lichte gronden
10. Eiser heeft de tegenwerping van de lichte gronden genoemd onder 4a tot en met 4d gemotiveerd betwist. Niet betwist is echter dat eiser niet in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument, meerdere aanvragen tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning hier te lande heeft ingediend zonder goed gevolg, eiser niet geregistreerd staat in het BRP en hij niet over voldoende middelen beschikt waarmee hij zijn terugkeer naar Algerije op voorhand gewaarborgd zou hebben. De rechtbank stelt hiermee vast dat de tegengeworpen lichte gronden feitelijk juist zijn en in de maatregel voldoende is gemotiveerd waarom deze gronden het risico op onderduiken onderbouwen. Voor zover eiser heeft gesteld dat deze lichte gronden op zich niet doorslaggevend of dragend zijn, merkt de rechtbank op dat het totaal van de zware en lichte gronden maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet deze gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten.
Lichter middel
11. Voor zover eiser heeft gesteld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom in dit geval niet kon worden volstaan met een lichter middel, volgt de rechtbank deze grond van eiser niet. Van belang is daarbij dat in de maatregel reeds is opgenomen dat het risico dat eiser zich zal onttrekken aan toezicht blijkt uit de terecht tegengeworpen zware en lichte gronden tezamen met zijn persoonlijke gedragingen. Zo heeft eiser zich reeds eerder aan toezicht onttrokken en heeft hij bewust de hem gegunde vertrektermijn overschreden. Ook heeft hij gekozen om met onbekende bestemming te vertrekken.
Ambtshalve toets
12. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. [3]
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.M. van der Stouwe, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.