De minister van Asiel en Migratie heeft op 13 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Algerijnse nationaliteit, stelde dat het proces-verbaal van gehoor pas na de inbewaringstelling was ondertekend, waardoor niet kon worden vastgesteld dat het gehoor voorafgaand aan de maatregel had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat het later ondertekenen van het proces-verbaal niet betekent dat het gehoor na de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser op 13 november 2025 om 13:25 is gehoord, vóór de digitale ondertekening van de maatregel om 13:59. De gronden voor de maatregel, waaronder risico op onttrekking aan toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure, zijn niet betwist en worden als feitelijk juist en voldoende toegelicht beschouwd.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en wijst het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.