ECLI:NL:RBDHA:2025:27255

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie heeft op 26 september 2025 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.

De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 8 oktober 2025 tot 28 november 2025, omdat de maatregel eerder al rechtmatig was bevonden. Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting omdat een laissez-passer niet binnen redelijke termijn wordt afgegeven. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat lp-aanvragen zijn ingediend bij de Britse en Jamaicaanse autoriteiten en dat nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser plaatsvindt.

De rechtbank concludeert dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat het lp-traject zal mislukken en dat het ontbreken van documenten en de complexiteit van de procedure tijd vergt. Ook ambtshalve toetsing van de maatregel, inclusief het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57388

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 28 november 2025 gesloten.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 14 oktober 2025 (in de zaak NL25.47169) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 8 oktober 2025 tot 28 november 2025.

Zicht op uitzetting

3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting ontbreekt, omdat er geen indicaties zijn dat voor hem een laissez-passer (lp) binnen een redelijke termijn zal worden afgegeven.
4. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de voortgangsrapportage van 25 november 2025 volgt dat verweerder op 6 oktober 2025 een lp-aanvraag heeft ingediend bij de Britse autoriteiten. Dit is gebeurd omdat eiser stelt de Britse nationaliteit te bezitten. Eiser heeft op 25 november 2025, ten behoeve van deze lp-aanvraag, toestemming gegeven voor de afname van zijn vingerafdrukken voor nader onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Uit het dossier blijkt daarnaast dat eiser ook heeft verklaard mogelijk de Jamaicaanse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit te bezitten. Naar aanleiding hiervan wil de regievoerder nader onderzoeken of hij (een van) deze nationaliteit(en) bezit. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder op 10 november 2025 een lp-aanvraag voor Jamaica heeft verzonden naar de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA). Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het concrete geval van eiser ontbreekt. Met een uitzetting en lp-traject gaat in het algemeen de nodige tijd gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit kan overleggen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het (Britse en mogelijk Jamaicaanse en Zuid-Afrikaanse) lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem uiteindelijk geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.