ECLI:NL:RBDHA:2025:27277

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694519 / KG ZA 25-1122
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling pensioenfonds tot medewerking aan crediteurenakkoord wegens misbruik van bevoegdheid

VSL, een producent van hijs- en transportwerktuigen, kampt met ernstige financiële problemen door onder meer fraude, gezondheidsproblemen en de coronacrisis. VSL ontving een Blz-krediet onder de voorwaarde van een schuldsanering met medewerking van alle crediteuren. Hoewel negen van de tien crediteuren instemden met het saneringsvoorstel, weigerde het Pensioenfonds mee te werken vanwege de aard van de pensioenpremies.

VSL vordert in kort geding dat het Pensioenfonds wordt veroordeeld tot medewerking aan het crediteurenakkoord en tot intrekking van de faillissementsaanvraag. De rechtbank oordeelt dat het Pensioenfonds misbruik maakt van zijn bevoegdheid door de medewerking te weigeren, omdat het belang van VSL en de overige schuldeisers, inclusief de werknemers die hun baan kunnen verliezen, zwaarder weegt dan het belang van het Pensioenfonds.

De rechtbank wijst de vordering tot medewerking toe en bepaalt dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de wilsuiting van het Pensioenfonds. De vordering tot intrekking van de faillissementsaanvraag wordt afgewezen. Het Pensioenfonds wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Het Pensioenfonds wordt veroordeeld tot medewerking aan het crediteurenakkoord wegens misbruik van bevoegdheid, maar hoeft de faillissementsaanvraag niet in te trekken.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694519 / KG ZA 25-1122
Vonnis in kort geding van 15 december 2025
in de zaak van
VACU-STONE-LIFT B.V.te Hem,
eiseres,
advocaat mr. L.J. Nette te Amsterdam,
tegen:
STICHTING PENSIOENFONDS METAAL EN TECHNIEKte Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. E.T. van den Hout en mr. Y.M. Sanders, beiden te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘VSL’ en ‘het Pensioenfonds’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 2 december 2025, met producties 1 tot en met 21.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 10 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van beide partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.
1.3.
Op 15 december 2025 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 22 januari 2026.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
VSL is een onderneming die zich bezighoudt met de productie, de verkoop en het onderhoud van hijs-, hef- en transportwerktuigen. Haar bestuurster en enig aandeelhoudster is [bedrijf] B.V., waarvan [naam] (hierna ‘ [naam] ’) bestuurder is. VSL heeft zes medewerkers in loondienst. Het Pensioenfonds is verantwoordelijk voor de pensioenen van deze werknemers. Daarbij wordt de ene helft van de pensioenpremie ingehouden op het salaris van de werknemers en wordt de andere helft van die premie door VSL afgedragen aan het Pensioenfonds.
2.2.
Als gevolg van diverse omstandigheden, waaronder fraude door een boekhouder, gezondheidsproblemen van [naam] , het overlijden van de zus van [naam] (die het bestuur over VSL tijdens de ziekte van [naam] heeft uitgeoefend) en de coronacrisis, is de omzet van VSL fors gedaald en zijn er ernstige financiële problemen bij VSL ontstaan.
2.3.
In september 2024 heeft VSL bij de Gemeente Hoorn/Werksaam Westfriesland een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een krediet op basis van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz), hierna ‘Blz-krediet’. Hierop heeft een aan SBMO Consultants verbonden bedrijfsdeskundige onderzoek gedaan naar de financiële situatie en de levensvatbaarheid van VSL. Op basis van dat onderzoek is geadviseerd om positief te beslissen op het verzoek van VSL en haar een Blz-krediet van € 104.000,-- te verstrekken, onder meer onder de voorwaarde dat dit krediet wordt aangewend voor het saneren van de schuldenlast.
2.4.
VSL heeft negen concurrente crediteuren, waaronder het Pensioenfonds. De vorderingen van de concurrente crediteuren bedragen in totaal € 122.989,40 en daarvan komt een bedrag van € 67.739,43 toe aan het Pensioenfonds. De schuld aan het Pensioenfonds is ontstaan omdat VSL in de periode van eind 2023 tot eind 2024 heeft nagelaten het werkgeversdeel van de pensioenpremies voor haar werknemers aan het Pensioenfonds af te dragen. Daarnaast heeft de Belastingdienst preferente vorderingen op VSL van in totaal € 729.745,90 op VSL.
2.5.
Bij brief van 22 juli 2025 heeft VSL aan haar tien crediteuren een saneringsvoorstel gedaan. VSL heeft er in haar brief op gewezen dat zij een Blz-krediet heeft ontvangen en dat, zonder een ingrijpende schuldsanering waaraan alle crediteuren hun medewerking verlenen, een faillissement voor VSL onafwendbaar is. Daarbij heeft VSL de crediteuren verzocht om medewerking te verlenen aan het bereiken van een onderhands crediteurenakkoord (hierna ‘het crediteurenakkoord’). Het saneringsvoorstel betekent concreet dat een aanbieding tegen finale kwijting wordt gedaan van 7,85% van de openstaande schuld aan de concurrente schuldeisers en van 15,7% aan de Belastingdienst.
2.6.
Behalve het Pensioenfonds zijn alle (concurrente en preferente) crediteuren met het saneringsvoorstel van VSL akkoord gegaan.
2.7.
In een brief van 31 juli 2025 heeft deurwaarderskantoor GGN namens het Pensioenfonds aan VSL meegedeeld:
“Onze opdrachtgever heeft ons aangegeven het saneringsvoorstel af te wijzen aangezien (zoals ook al eerder reeds is aangegeven) het pensioenfonds nimmer akkoord gaat met saneringsvoorstellen. Het betreft pensioenpremies van medewerkers. Deze kunnen niet gesaneerd worden.”
2.8.
Op 17 oktober 2025 heeft het Pensioenfonds het faillissement van VSL aangevraagd (hierna ook ‘de faillissementsaanvraag’). De mondelinge behandeling van het verzoek vindt plaats op 16 december 2025 bij de rechtbank Noord-Holland.

3.Het geschil

3.1.
VSL vordert – zakelijk weergegeven – (1) het Pensioenfonds te veroordelen om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het crediteurenakkoord, waaronder – maar niet beperkt tot – het voor akkoord ondertekenen en aan VSL retourneren van het crediteurenakkoord, (2) te bepalen dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de voor medewerking vereiste wilsuiting van het Pensioenfonds en (3) het Pensioenfonds te veroordelen om de faillissementsaanvraag in te trekken, op straffe van een dwangsom, een en ander met veroordeling van het Pensioenfonds in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe stelt VSL (samengevat) het volgende. Zolang het Pensioenfonds volhardt in de weigering om in te stemmen met het saneringsvoorstel kan er geen algeheel crediteurenakkoord tot stand komen. Dat betekent dat aan de voorwaarde waaronder het Blz-krediet aan VSL is verstrekt niet wordt voldaan. Zonder de medewerking van het Pensioenfonds is het faillissement van VSL niet te voorkomen. Door haar medewerking te weigeren maakt het Pensioenfonds misbruik van bevoegdheid, althans haar handelwijze is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Het akkoord is bovendien ook in het belang van het Pensioenfonds zelf. Bij een faillissement van VSL heeft het Pensioenfonds immers geen zelfstandig vorderingsrecht op het UWV en is zij afhankelijk van door de werknemers van VSL teruggevorderde openstaande premies, die alleen betrekking kunnen hebben op het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de betreffende arbeidsovereenkomst is geëindigd. Van belang daarbij is dat VSL alle premies over het afgelopen jaar heeft afgedragen. Ook in het kader van de afwikkeling van het faillissement blijft het Pensioenfonds mogelijk met lege handen achter, vanwege de hoogte van de schuld aan de Belastingdienst en de beperkte liquidatiewaarde van de activa van VSL.
3.3.
Het Pensioenfonds voer verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Tussen partijen is in geschil of het Pensioenfonds kan worden gedwongen om mee te werken aan het crediteurenakkoord en of er aanleiding bestaat om het Pensioenfonds te veroordelen tot het intrekken van de faillissementsaanvraag.
Medewerking aan het crediteurenakkoord
4.2.
VSL heeft gevorderd het Pensioenfonds te veroordelen om mee te werken aan het crediteurenakkoord. Deze medewerking bestaat eruit dat het Pensioenfonds het aanbod tot betaling van een percentage van haar vordering tegen finale kwijting moet aanvaarden.
4.3.
Op de totstandkoming van een dergelijk buitengerechtelijk akkoord zijn de gewone regels van het verbintenissenrecht van toepassing. Dit betekent dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat om het hem door de schuldenaar aangeboden akkoord, dat inhoudt dat hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het overige afstand doet van zijn recht op voldoening, te weigeren. Dit kan echter anders zijn als de schuldeiser, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid om het aanbod te weigeren en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid de aanvaarding van het aanbod niet kan weigeren en de uitoefening van zijn bevoegdheid misbruikt als bedoeld in artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.4.
Het Pensioenfonds heeft aangevoerd dat zij nooit akkoord gaat met saneringsvoorstellen. Daarbij heeft zij toegelicht dat haar vordering op VSL ziet op de pensioenpremies van de werknemers voor wie zij verantwoordelijk is en dat zij die werknemers niet wil benadelen door in te stemmen met het crediteurenakkoord en genoegen te nemen met betaling van slechts een gering deel van haar vordering. De werknemers van VSL ontvangen dan immers ook slechts een beperkt bedrag, aldus het Pensioenfonds. Volgens het Pensioenfonds worden de werknemers van VSL in de situatie dat VSL in staat van faillissement wordt verklaard naar verwachting minder benadeeld, omdat zij in die situatie via het UWV een groter deel van hun achterstallige premies kunnen terugvorderen.
4.5.
De voorzieningenrechter volgt dit verweer van het Pensioenfonds niet en is van oordeel dat het Pensioenfonds in de gegeven omstandigheden haar instemming met het crediteurenakkoord in redelijkheid niet kan weigeren. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.6.
Tegenover het betoog van het Pensioenfonds dat de werknemers van VSL belang hebben bij een faillissement van VSL, omdat zij dan via het UWV aanspraak kunnen maken op een groter deel van hun pensioenpremie, heeft VSL voldoende toegelicht dat zij met haar onderneming actief is in een specialistische branche, dat haar werknemers tijdens hun langdurige dienstverband met VSL hun kennis en kunde binnen die branche hebben verworven en dat zij daardoor, mede gelet op hun hogere leeftijd, in een faillissementssituatie naar verwachting werkloos zullen raken. Daarmee heeft VSL voldoende aannemelijk gemaakt dat haar werknemers er juist belang bij hebben dat de onderneming blijft voortbestaan, zodat zij hun baan behouden, en daarmee bij de totstandkoming van het crediteurenakkoord.
4.7.
Daarnaast heeft VSL voldoende onderbouwd dat het crediteurenakkoord ook in het belang van het Pensioenfonds zelf is, omdat VSL de verschuldigde pensioenpremies over 2025 volledig heeft afgedragen en het UWV alleen achterstallige premies overneemt die betrekking hebben op het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de betreffende arbeidsovereenkomst is geëindigd. VSL heeft daarom terecht gesteld dat het UWV slechts een beperkt bedrag aan achterstallige pensioenpremies zal kunnen overnemen als het faillissement van VSL in december 2025 (of kort daarna) wordt uitgesproken.
4.8.
Andere argumenten dan de mogelijke benadeling van de werknemers van VSL heeft het Pensioenfonds niet aan haar verweer ten grondslag gelegd. Het enkele, niet onderbouwde, betoog dat het crediteurenakkoord mogelijk niet het maximaal haalbare voorstel is, is in dit verband niet voldoende.
4.9.
Het voorgaande betekent dat het belang van VSL bij de totstandkoming van het crediteurenakkoord, mede gelet op de belangen van de overige schuldeisers, in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan de bevoegdheid van het Pensioenfonds om het aanbod van VSL te weigeren. Bij die stand van zaken maakt het Pensioenfonds misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro door niet in te stemmen met het crediteurenakkoord. De vordering strekkende tot een veroordeling van het Pensioenfonds om mee te werken aan de totstandkoming van het crediteurenakkoord wordt daarom toegewezen en datzelfde geldt voor de vordering te bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van die medewerking.
Het intrekken van de faillissementsaanvraag
4.10.
Voor een veroordeling van het Pensioenfonds tot intrekking van de faillissementsaanvraag ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Ook in de situatie dat het crediteurenakkoord tot stand komt staat het het Pensioenfonds vrij om een oordeel aan de rechtbank Noord-Holland te vragen met betrekking tot de vraag of er gronden zijn voor een faillissement van VSL. In haar oordeel zal de rechtbank Noord-Holland uiteraard de in dit vonnis opgelegde verplichting aan het Pensioenfonds om mee te werken aan het crediteurenakkoord kunnen meewegen.
Proceskosten
4.11.
Het Pensioenfonds is in overwegende mate in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VSL worden begroot op:
- dagvaarding
122,35
- griffierecht
714,--
- salaris advocaat
1.107,--
- nakosten
€ 178,--
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.121,35
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- veroordeelt het Pensioenfonds om binnen drie dagen na de datum van dit vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het crediteurenakkoord zoals omschreven in randnummer 6. van de op 2 december 2025 betekende dagvaarding, waaronder, maar niet beperkt tot, het voor akkoord ondertekenen en aan VSL retourneren van het crediteurenakkoord;
- bepaalt dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de voor het verlenen van medewerking aan het crediteurenakkoord vereiste wilsuiting van het Pensioenfonds;
- veroordeelt het Pensioenfonds in de proceskosten, aan de zijde van VSL begroot op € 2.121,35 (te weten dagvaarding € 122,35, griffierecht € 714,--, salaris advocaat € 1.107,--, nakosten € 178,-- (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als het Pensioenfonds niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet het Pensioenfonds € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
- veroordeelt het Pensioenfonds in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2025.
mvt