Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27305

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/675561 / FA RK 24-8116
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij haar, een zorgregeling en kinderalimentatie. De vader verzocht zelfstandig om vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij hem en een zorgregeling waarbij de kinderen in de even weken bij hem verblijven en in de oneven weken bij de moeder.

Partijen oefenden gezamenlijk gezag uit en de kinderen woonden feitelijk bij de moeder. De rechtbank constateerde dat de ouders inmiddels een goed lopende zorgregeling hadden overeengekomen die overeenkomt met het verzoek van de vader. De moeder trok haar verzoek tot afwijking van de zorgregeling in.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdverblijfplaats een formele aangelegenheid is, waarbij de vader sneller kan schakelen in financiële zaken omdat de moeder onder bewind staat. Daarom werd de hoofdverblijfplaats bij de vader vastgesteld. Het verzoek tot kinderalimentatie en proceskosten werd aangehouden tot 15 februari 2026, zodat partijen zich hierover kunnen uitlaten.

De zorgregeling werd vastgesteld met een verdeling van vakanties en feestdagen conform de afspraken tussen partijen, met ruimte voor onderling overleg. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verzoek van de moeder tot hoofdverblijfplaats bij haar werd afgewezen.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vader vastgesteld en de zorgregeling conform het verzoek van de vader vastgesteld; het verzoek tot kinderalimentatie wordt aangehouden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8116
Zaaknummer: C/09/675561
Datum beschikking: 24 december 2025

Gezagsuitoefening en kinderalimentatie

Beschikking op het op 29 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bewindvoerder: Stabilum SA B.V. te ’s-Gravenhage,
advocaat: mr. M.M.C. van der Sanden te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Kievit te Breda.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 14 november 2024 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- twee F9-formulieren van 14 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 november 2025 van de zijde van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 20 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek.
Op 27 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar persoonlijk begeleider;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en zijn persoonlijk begeleider;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar is;
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen:
zolang de man niet over zelfstandige woonruimte beschiktelke week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur (dus als de man vrij is) alsmede de helft van de vakanties bij de ouders van de man verblijven;
zodra de man over zelfstandige woonruimte beschiktelke week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur (dus als de man vrij is) alsmede de helft van de vakanties bij de man zullen verblijven;
waarbij partijen de verdeling van de vakanties steeds in onderling overleg aan het begin van het schooljaar vaststellen;
- de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift als volgt vast te stellen:
 zolang de man niet over zelfstandige woonruimte beschikt en de vrouw nog aflost op de schuld aan Otto: € 625,- per maand,
 zolang de man niet over zelfstandige woonruimte beschikt en de vrouw de schuld aan Otto heeft afgelost € 545,- per maand,
 vanaf het moment dat de man over zelfstandige woonruimte beschikt en de vrouw nog aflost op de schuld aan Otto € 312,- per maand,
 vanaf het moment dat de man over zelfstandige woonruimte beschikt en de vrouw de schuld aan Otto heeft afgelost € 297,- per maand,
althans een zodanig bedrag als de rechtbank op basis van de wettelijke maatstaven redelijk acht, steeds voor de eerste van de maan bij vooruitbetaling te voldoen en steeds jaarlijks per 1 januari te indexeren;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • het hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen;
  • te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld, in die zin dat de kinderen in de oneven weken (van maandag na school tot maandag naar school) bij de moeder verblijven en in de even weken (van maandag na school tot maandag naar school) bij de vader verblijven;
  • te bepalen dat een verdeling van de vakanties en feestdagen wordt vastgesteld, zoals opgenomen onder randnummer 35 van het verweerschrift;
  • te bepalen dat de vader aan de moeder een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te leveren van € 14,- per kind per maand;
  • dan wel een andere beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van de kinderen geraden acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- -
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
- -
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen wonen bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst bij de ouders van de vader. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 20 augustus 2024 respectievelijk 20 mei 2024.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 21 november 2023 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder onder bewind gesteld tot 1 december 2028.

Beoordeling

Zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank in een voorkomend geval een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de vaststelling van een zorgregeling omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting is gebleken dat de ouders inmiddels een goed lopende zorgregeling zijn overeengekomen. De kinderen verblijven in de even weken bij de vader en in de oneven weken bij de moeder. Gelet hierop heeft de moeder haar verzoek tot vaststelling van een afwijkende zorgregeling ingetrokken en heeft zij ermee ingesteld dat de zorgregeling wordt vastgesteld conform het verzoek van de vader. Deze regeling komt namelijk overeen met de huidige regeling.
Ten aanzien van de vakanties en feestdagen hebben partijen ook afspraken gemaakt. Zij zijn overeengekomen dat de verdeling wordt vastgesteld conform het verzoek van de vader, maar dat partijen in onderling overleg altijd afwijkende afspraken kunnen maken.
Hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank in een voorkomend geval een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de vaststelling van de hoofdverblijfplaats omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het niet eens over waar de kinderen de hoofdverblijfplaats moeten hebben. Gebleken is dat het inmiddels beter gaat met de moeder en dat partijen in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling. De kinderen verblijven feitelijk evenveel tijd bij de moeder als bij de vader. De rechtbank overweegt daarom dat vaststelling van de hoofdverblijfplaats een formele aangelegenheid is en dat het, afgezien van de financiële voordelen, niets verandert. Gebleken is dat de moeder in het verleden niet altijd de beste keuzes heeft gemaakt als het gaat om haar financiën, zij is daarom ook op eigen verzoek onder bewind gesteld. Op de zitting is gebleken dat de vader op dit moment allerlei kosten voor de kinderen voldoet waarbij hij vervolgens in overleg moet met de bewindvoerder van de moeder om de helft vergoed te krijgen. Door de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen, kan de vader sneller schakelen. Zoals op de zitting ook is besproken, betekent dit wel dat van de vader wordt verwacht dat hij alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn rekening neemt. Gelet hierop zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader bepalen en het verzoek van de moeder afwijzen.
Kinderalimentatie
Voorafgaand aan de zitting is de advocaat van de moeder verzocht een verklaring over te leggen waaruit blijkt dat de bewindvoerder van de moeder instemt met deze procedure. De verklaring van de bewindvoerder heeft de rechtbank pas na de geplande zitting bereikt, zodat op de zitting is besproken dat dit verzoek zal worden aangehouden. De rechtbank zal daarom dit verzoek aanhouden tot 15 februari 2026 en verzoekt partijen zich uiterlijk op die datum uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure.
Proceskosten
Nu er nog geen eindbeschikking zal worden gegeven, zal het verzoek met betrekking tot de proceskosten eveneens worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de kinderen:
- -
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] , en
- -
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
*
bepaalt dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in de oneven weken (van maandag na school tot maandag naar school) bij de moeder verblijven en in de even weken (van maandag na school tot maandag naar school) bij de vader verblijven;
*
bepaalt dat tussen partijen de volgende verdeling van de feestdagen en vakanties zal gelden, tenzij partijen in onderling overleg andere afspraken hebben gemaakt:
  • de vakantie worden doorgebracht bij de ouder waar de kinderen die week verblijven, met uitzondering van de zomervakantie.
  • In de zomervakantie verblijven de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw en de laatste drie weken bij de man, en de even jaren de eerste drie weken bij de man en de tweede drie weken bij de vrouw, dan wel een andere verdeling die partijen uiterlijk in oktober het jaar voorafgaand aan de zomervakantie overeenkomen;
  • de kinderen brengen met Kerst, Pasen en Pinksteren één dag door bij elke ouder, waarbij de kinderen in het even jaar de eerste feestdag bij de vrouw spenderen en de tweede feestdag bij de man, en in een oneven jaar andersom. Oud en nieuw spenderen de kinderen in een even jaar bij de vrouw (uitgaande van 31 december) en een oneven jaar bij de man. Overige feestdagen brengen de kinderen door bij de ouder bij wie ze op dat moment conform de zorgregeling zijn;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere beslissing
ten aanzien van de kinderalimentatie en de proceskostenaan tot
15 februari 2026 pro forma;
*
wijst af het verzoek van de moeder tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij haar.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2025.