ECLI:NL:RBDHA:2025:27317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/674123 / FA RK 24-7404
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 1:100 BWArt. 3 AlimentatieverordeningArt. 4 lid 3 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 218 TBW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap volgens Turks en Nederlands recht

De rechtbank Den Haag heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd in Turkije in 2016. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind, dat de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw vast.

De zorgregeling werd vastgesteld conform de overeenstemming van partijen, waarbij het kind op maandag, woensdag en vrijdag na schooltijd tot 19:30 uur bij de man verblijft. De man is verplicht een kinderalimentatie van €150 per maand te betalen. Het huurrecht van de echtelijke woning wordt toegewezen aan de vrouw, die de huur zal betalen aan de ouders van de man.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap werd geregeld volgens het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, waarbij het Turkse recht geldt voor de periode van het huwelijk tot 28 maart 2017 en Nederlands recht vanaf die datum. De inboedel en bankrekeningen worden zonder verrekening verdeeld, en de man moet eventuele nog aanwezige juwelen aan de vrouw afgeven. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met vaststelling hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling, kinderalimentatie, huurrecht aan vrouw en verdeling huwelijksgemeenschap volgens Turks en Nederlands recht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7404 (scheiding) en FA RK 25-2505 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/674123 (scheiding) en C/09/682969 (verdeling)
Datum beschikking: 24 december 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 15 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Çiçek in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Arslan in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlage, namens de man;
  • het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw, ingekomen op 30 december 2024;
  • het bericht van 4 februari 2025 namens de man;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met gewijzigd verzoek en met bijlagen, namens de man, ingekomen op 21 februari 2025;
  • de brief van 25 maart 2025 namens de man;
  • de brief van 27 oktober 2025, met bijlagen, namens de vrouw;
  • de brief van 20 november 2025, met gewijzigd verzoek en met bijlagen, namens de man;
  • de brief van 21 november 2025, met bijlage, namens de man.
Op 26 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en tolk A. Yilmaz, en
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op 22 september 2016 in [plaats] , Turkije.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
  • [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • De man heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige] heeft volgens de Basisregistratie Personen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
  • Deze rechtbank heeft op 7 februari 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat:
  • de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het adres [adres] met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
  • [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
  • de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben elke maandag, woensdag, donderdag en vrijdag vanuit school tot 19.00 uur;
  • de man met ingang van heden voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 98,- per maand aan de vrouw zal betalen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man – na wijziging – strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat hij bij de man is:
  • iedere maandag, woensdag en vrijdag, waarbij de oma vaderszijde [minderjarige] bij zijn woonadres ophaalt en de man hem rond 19.30 uur terugbrengt;
  • tijdens de (school)vakanties en feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;
  • toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ;
  • althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte echtscheiding, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig om nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , zoals door de man is voorgesteld in het verzoek tot echtscheiding, en waarbij de man [minderjarige] elke donderdag zal opvangen na school tot 18.00 uur;
  • vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 650,- per maand;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
  • toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer tegen de zelfstandig verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd om op het verzoek tot echtscheiding te beslissen.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het de ouders (voorafgaand aan de zitting) niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de zorgregeling en de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de ouders niet in staat waren om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank de man toch ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man stelt zich op het standpunt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en verzoekt de echtscheiding uit te spreken. De vrouw betwistte in haar verweerschrift dat er sprake was van duurzame ontwrichting van het huwelijk. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij inmiddels berust in het verzoek tot echtscheiding en ook wil scheiden. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw wordt vastgesteld. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen, omdat zij dit ook in het belang van [minderjarige] acht.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de zorgregeling voor [minderjarige] , namelijk dat hij conform het gewijzigde verzoek van de man op de maandag, woensdag en de vrijdag na school tot 19.30 uur bij de man zal zijn, waarbij de man [minderjarige] weer thuisbrengt. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen. Verder zijn de ouders het erover eens dat [minderjarige] af en toe in het weekend bij de (ouders van de) vader kan zijn, maar dat hierover niks in het dictum hoeft te worden opgenomen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen en [minderjarige] in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening bevoegd om te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting zijn partijen het erover een geworden dat de man een kinderalimentatie van
€ 150,- per maand voor [minderjarige] zal betalen. De rechtbank zal hiervoor in redelijkheid als ingangsdatum de datum van deze beschikking hanteren.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De echtelijke woning van de man en de vrouw ligt in Nederland. Gelet op artikel 4 lid Pro 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van de woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. Tijdens het huwelijk woonden partijen in een woning die de ouders van de man aan hen verhuurden. De man heeft op de zitting toegelicht dat hij daarvoor maandelijks een huursom van € 750,- aan zijn ouders betaalde. De vrouw wil voorlopig met [minderjarige] in de woning blijven. De man is het ermee eens dat de vrouw met [minderjarige] in de woning blijft, totdat de vrouw alternatieve woonruimte heeft gevonden. Omdat de termijn waarbinnen dit zal gebeuren onzeker is en daardoor niet zeker is of de vrouw binnen zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking over een andere passende woning voor haar en [minderjarige] zal beschikken, zal de rechtbank bij deze stand van zaken het huurrecht toewijzen aan de vrouw. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vrouw op de zitting heeft toegezegd dat zij voortaan (vanaf het moment van de echtscheiding) de huur aan de ouders van de man zal betalen, zodat zij ook zelf huurtoeslag kan aanvragen.
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen.
Omdat de huwelijksdatum van partijen tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 ligt, namelijk op [dag] 2016, is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing.
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
Krachtens artikel 4 lid 2 onder Pro 3 van het Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Turkse recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde staat vestigden. De man woonde in Nederland en de vrouw had nog haar gewone verblijfplaats in Turkije.
Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw sinds 28 maart 2017 echter ook in Nederland woonachtig is, zodat vanaf dat moment, op de voet van artikel 7 lid 2 onder Pro 3 van het Verdrag, het huwelijksvermogensregime van partijen door Nederlands recht wordt beheerst.
Dat betekent dat in de periode van [dag] 2016 tot 28 maart 2017 Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen en dat vanaf 28 maart 2017 Nederlands recht van toepassing is.
Turks recht
Per 1 januari 2002 is het nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek (TBW) in werking getreden. Dit wetboek kent als wettelijk huwelijksvermogensregime een zogenoemd regime van verwervingsdeelneming. Dit wettelijke huwelijksvermogensregime houdt – kort weergegeven – het volgende in. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (artikel 218 TBW Pro). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat uit twee deelvermogens, te weten de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.
Als verwervingen worden beschouwd de tijdens het deelgenootschap om baat verworven vermogensbestanddelen, in het bijzonder: de inkomsten uit arbeid, sociale verzekeringen, uitkeringen wegens verlies aan arbeidsvermogen, inkomsten uit persoonlijk vermogen en vervangende vermogensbestanddelen (artikel 219 TBW Pro).
Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet: de ten huwelijk aangebrachte en staande huwelijk door erfrecht of schenking verworven vermogensbestanddelen, de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, vorderingen uit immateriële schadevergoeding en de vervangende vermogensbestanddelen (artikel 220 TBW Pro). Het onderscheid tussen verwervingen en persoonlijk vermogen is (mede) afhankelijk van de herkomst van de financiering.
Vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen is aan welke echtgenoot zij toebehoren worden geacht mede-eigendom van de echtgenoten te zijn (artikel 222 TBW Pro).
Het huwelijksvermogensregime eindigt op het tijdstip waarop de rechtszaak tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding aanvangt (artikel 225 TBW Pro).
Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats over dat wat tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde (artikel 236 TBW Pro). Vorderingen worden verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (artikel 231 TBW Pro). Waardevermindering wordt niet in aanmerking genomen, een negatief saldo evenmin. Voor de schulden van de echtgenoten geldt verder als uitgangspunt dat iedere echtgenoot zelf aansprakelijk is met zijn gehele vermogen voor zijn schulden (artikel 224 TBW Pro).
Nederlands recht
Het Nederlandse recht kende tot 1 januari 2018 als wettelijk huwelijksgoederenstelsel de algehele gemeenschap van goederen. Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat er tussen partijen sprake is van een algehele gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap moet op grond van artikel 1:100 BW Pro bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
Peildatum
Als peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 15 oktober 2024. Voor de waardering geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum.
Omvang
Partijen hebben in de procedure de volgende vermogensbestanddelen aan de orde gesteld:
de inboedel;
bankrekeningen;
juwelen.
Ad. a) de inboedel
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de inboedel aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad. b) bankrekeningen
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat ieder de bankrekening op zijn/haar naam voortzet en dat het saldo ervan aan hem/haar wordt toegedeeld zonder nadere verrekening. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad. c) juwelen
De vrouw stelt dat er juwelen zijn, waarvan zij een lijst heeft overgelegd. Zij wil graag afgifte van deze juwelen. Volgens de vrouw zitten de juwelen in een kluis op naam van de man of zijn moeder, waar zij geen toegang tot heeft. De man heeft aangegeven dat de door de vrouw op de lijst genoemde juwelen er inderdaad zijn geweest, maar dat er geen kluis is en dat de juwelen zijn ingewisseld voor de bekostiging van de opleiding van de vrouw in Cyprus en de verblijfskosten daar. De vrouw betwist dat de juwelen zijn ingewisseld en heeft daar geen weet van.
De rechtbank stelt voorop dat de juwelen, voor zover deze er nog zijn, beheerst worden door het Turkse recht, omdat niet in geschil is dat het gaat om juwelen die voor of ter gelegenheid van het huwelijk aan de vrouw zijn geschonken. Deze juwelen behoorden op grond van artikel 220 TBW Pro tot het persoonlijke vermogen van de vrouw. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de door de vrouw genoemde juwelen - voor zover deze tijdens het huwelijksfeest zijn ontvangen - werden bewaard in het huis van de ouders van de man. De man voert aan dat de juwelen er niet meer zijn, omdat hij de juwelen - buiten medeweten van de vrouw - heeft ingewisseld, om de studie en verblijfskosten van de vrouw in Cyprus te bekostigen. Of dit zo is, kan de rechtbank niet vaststellen. Voor zover blijkt dat de juwelen er toch nog zijn, zal de man deze juwelen alsnog aan de vrouw moeten afgeven. De rechtbank zal aldus beslissen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2016 in [plaats] , Turkije;
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn:
  • iedere maandag, woensdag en vrijdag, vanuit school tot 19:30 uur;
  • tijdens de (school)vakanties en feestdagen, in onderling overleg te verdelen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 150,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw, met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, de huurster zal zijn van de woonruimte aan de
[adres] ;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
  • de inboedel wordt aan de vrouw toegedeeld zonder nadere verrekening met de man;
  • partijen zetten ieder hun eigen bankrekening voort, zonder nadere verrekening van de saldi per peildatum;
  • voor zover de op de lijst van de vrouw beschreven juwelen er nog blijken te zijn, dient de man deze aan de vrouw af te geven;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 december 2025.