ECLI:NL:RBDHA:2025:27318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/664169 / FA RK 24-2438
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing gezag en omgang minderjarige en gelasten raadsonderzoek

De rechtbank Den Haag behandelt een verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over de minderjarige toe te wijzen, vanwege langdurige communicatieproblemen met de vader en het blokkeren van gezagsbeslissingen. De vader betwist de stellingen en benadrukt zijn betrokkenheid en bereidheid tot communicatie.

De rechtbank constateert dat de communicatie moeizaam is, maar dat er nog geen hulpverlening is ingezet en het contact tussen vader en kind nog niet is hersteld. Daarom wordt een uitgebreid raadsonderzoek gelast om te beoordelen of het gezamenlijk gezag kan blijven of dat wijziging in het belang van het kind noodzakelijk is.

De voorlopige regeling voor begeleid contact tussen vader en kind blijft van kracht, hoewel dit contact nog niet is gestart. De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige contactregeling te wijzigen en houdt de zaak aan tot uiterlijk 15 april 2026, wanneer het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming wordt verwacht.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over het gezag en de omgang aan en gelast een uitgebreid raadsonderzoek.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-2438
Zaaknummer: C/09/664169
Datum beschikking: 31 december 2025

Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang

Beschikking op het op 5 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Car te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 14 oktober 2025 van deze rechtbank is bepaald dat het contact tussen de vader en de minderjarige voorlopig begeleid plaats zal vinden en is de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg en opvoedingstaken c.q. omgang is aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van de moeder van 28 november 2025, met bijlage.
Op 3 december 2025 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft verzocht haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten en heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende naar voren gebracht. Partijen hebben al geruime tijd vrijwel geen communicatie. Ieder gesprek leidt tot ruzie of discussie. De vader lijkt niet te kunnen accepteren dat de relatie tussen de ouders voorbij is. Zolang de vader dat niet accepteert en zolang zijn eigen situatie niet stabiliseert, zal er geen verbetering zijn in de communicatie. De moeder stuurt hem regelmatig video’s en foto’s van [de minderjarige] , omdat zij het belangrijk vindt dat de vader op de hoogte blijft van de ontwikkeling van [de minderjarige] . Het contact tussen de ouders moet alleen gericht zijn op [de minderjarige] , en niet op de verbroken relatie van de ouders. De moeder verwacht niet dat hulpverlening voor de onderlinge communicatie tot verbetering zal leiden. Ook blokkeert de vader gezagsbeslissingen. De moeder heeft aan de rechtbank een verzoek moeten voorleggen om vervangende toestemming voor haar vakantie met [de minderjarige] te krijgen. Het is in het belang van [de minderjarige] dat er rust is. Zij is vrolijker sinds zij geen contact meer heeft met de vader en geeft aan dat zij hem niet wil zien. Indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing op het gezag te nemen, kan de moeder zich vinden in het gelasten van een raadsonderzoek.
De vader voert verweer. De moeder heeft onvoldoende gesteld en toegelicht dat sprake is van een situatie zoals genoemd in artikel 1:251a, eerste lid BW, aldus de vader. Uit de overgelegde stukken en video’s blijkt dat geen sprake is van gesprekken die iedere keer tot discussies of ruzies leiden. De moeder heeft de vader bovendien geblokkeerd op haar telefoon. De vader betwist dat hij zijn toestemming onthoudt aan gezagsbeslissingen. Ten aanzien van de procedure die daarover is gevoerd bij de rechtbank merkt de vader op dat hij het niet eens was met de duur van de vakantie. Dit rechtvaardigt niet de conclusie dat ouders niet met elkaar kunnen communiceren en dat daarin geen verbetering te verwachten valt. Hij wijst naar andere momenten, waarbij hij wel toestemming heeft verleend in het belang van [de minderjarige] . De vader staat open voor trajecten om te werken aan de onderlinge communicatie. Hij is bereid om in gesprek te gaan met de moeder en is altijd bereikbaar voor haar. Verder is het vaste jurisprudentie dat ook als er geen contact is tussen ouder en kind, dit niet hoeft te betekenen dat eenhoofdig gezag nodig is. De vader is nauw betrokken bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en wenst dat dit zo blijft. Indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing op het gezag te nemen, verzet de vader zich niet tegen het gelasten van een raadsonderzoek.
De rechtbank overweegt als volgt. Gelet op de situatie zoals beschreven is in de beschikking van 14 oktober 2025 en gelet op de recente e-mailwisseling tussen de ouders, kan de rechtbank op dit moment onvoldoende beoordelen of het gezamenlijk gezag in stand kan blijven. De communicatie tussen de ouders verloopt weliswaar moeizaam, maar er is ook nog geen hulpverlening ingezet om deze te verbeteren. Ook moet het contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] nog tot stand komen. De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken het te verrichten onderzoek uit te breiden naar de vraag of er sprake is van een situatie waarin er een onaanvaardbaar risico is dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of een situatie waarin wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek aanhouden.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Bij beschikking van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank bepaald dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] voorlopig begeleid zal plaatsvinden onder regie van de casemanager. Dit begeleide contact is echter nog niet gestart. Hierdoor is er in de afgelopen maanden geen contact geweest tussen de vader en [de minderjarige] . Dit is erg moeilijk voor de vader. Volgens de vader was met name de moeite die [de minderjarige] had om afscheid te nemen van haar moeder een belemmering in de contactmomenten tussen hem en [de minderjarige] . Inmiddels is [de minderjarige] ouder en gaat zij naar school, waardoor zij ook meer gewend is om afscheid te nemen van de moeder. De vader stelt voor om nu alvast te starten met videobelcontact tussen hem en [de minderjarige] totdat het begeleide contact onder regie van de casemanager kan plaatsvinden. De moeder is er niet gerust op dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] nu beter zal verlopen. Zij is bang dat de vader [de minderjarige] zal belasten met volwassen zaken en dat [de minderjarige] hierdoor de ruzies tussen de ouders zal meekrijgen.
De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat sinds de beschikking van 14 oktober 2025 sprake is van relevante wijzigingen die tot een ander oordeel – en/of een andere voorlopige contactregeling – moeten leiden. Wel blijkt uit de overgelegde recente e-mailwisseling tussen de ouders dat de vader een emotioneel appel op de moeder doet. Ook lijkt hij nog steeds de affectieve relatie tussen de ouders te willen herstellen, althans hierover met de moeder te willen praten. Onder die omstandigheden is het (nog steeds) onduidelijk of de vader in staat is om [de minderjarige] tijdens videobelcontacten niet te belasten met volwassen zaken. Op de zitting is gebleken dat het begeleide contact onder regie van de casemanager naar alle waarschijnlijkheid in januari 2026 zal starten. Gelet op dit alles ziet de rechtbank geen aanleiding in de tussentijd een andere voorlopige contactregeling vast te stellen dan de regeling die is bepaald in de beschikking van 14 oktober 2025.

Beslissing

De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming het door hen te verrichten onderzoek uit te breiden zoals in het lichaam van deze beschikking omschreven en eveneens ten aanzien van het gezag over de minderjarige aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
15 april 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangaan tot
15 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 31 december 2025.