ECLI:NL:RBDHA:2025:27350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
C/09/677371 / JE RK 24-2265 en C/09/695679 / JE RK 25-2080
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met tijdelijke contactregeling minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde verzoeken van de moeder en de gecertificeerde instelling omtrent de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige, alsmede de intrekking van een schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een contactregeling.

De moeder verzocht de intrekking van de schriftelijke aanwijzing die het contact met haar zoon volledig verbood en wilde een contactregeling van één keer per drie weken een uur. De gecertificeerde instelling handhaafde de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing vanwege de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en het ontbreken van contact met de moeder.

De rechtbank oordeelde dat verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. De schriftelijke aanwijzing wordt ingetrokken omdat de moeder zich aan afspraken houdt en er een behandeltraject bij Prodeba is gestart gericht op contactherstel. Een tijdelijke contactregeling wordt vastgesteld waarbij contact alleen mogelijk is als behandelaren dit passend achten, onder regie van de gecertificeerde instelling.

De rechtbank bepaalt dat de behandeling van het verzoek van de moeder voor een verdere contactregeling wordt aangehouden tot uiterlijk 30 juni 2026, met een schriftelijke update en behandelplan van Prodeba. De beslissing is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing, draagt op tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing en stelt een tijdelijke contactregeling vast onder voorwaarden van behandelaren.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/677371 / JE RK 24-2265 en C/09/695679 / JE RK 25-2080
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
C/09/677371 / JE RK 24-2265
I. Opdracht tot intrekking schriftelijke aanwijzing
II. Vaststellen tijdelijke contactregeling
C/09/695679 / JE RK 25-2080
III. Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan ten aanzien van het verzoek van de moeder (
C/09/677371 / JE RK 24-2265):
de gecertificeerde instellingvoornoemd,
[de pleegvader]en
[de pleegmoeder],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan ten aanzien van het verzoek van de gecertificeerde instelling (
C/09/695679 / JE RK 25-2080):
de moedervoornoemd,
de pleegoudersvoornoemd.
De rechtbank merkt in beide zaken als informanten aan:
[naam 1], pleegzorgwerker,
[naam 2], gedragswetenschapper van pleegzorg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 februari 2026 (
C/09/676294 / JE RK 24-2124). De behandeling van het verzoek van de moeder tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing, benoeming van een deskundige en het vaststellen van een contactregeling (
C/09/677371 / JE RK 24-2265) is aangehouden tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, gelegen vóór 24 juli 2025.
1.2.
De rechtbank heeft ter zitting van 27 juni 2025 de behandeling van het verzoek tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een contactregeling pro forma aangehouden tot 11 juli 2025 en de gecertificeerde instelling opgedragen vóór of uiterlijk op die datum stukken in te dienen en de rechtbank nader te informeren over het volgende:
De rechtbank verzoekt de gecertificeerde instelling om stukken die de standpunten van de gecertificeerde instelling onderbouwen in te dienen zoals ook verzocht is door de moeder, met -onder meer, maar niet uitsluitend- het advies van het Expertiseteam (indien de gecertificeerde instelling meent dat dit niet mag worden gedeeld, vergezeld van onderbouwing op welke grond dit niet mag worden gedeeld), een verklaring van de peuterspeelzaal over hoe het gaat met [de minderjarige] , de door de gecertificeerde instelling opgevraagde en ontvangen stukken van het consultatiebureau over de eerste weken na de geboorte van [de minderjarige] ; een verklaring van de betrokken huisarts.
De gecertificeerde instelling dient de rechtbank te informeren over welk onderzoek in gang wordt gezet om naar de mogelijkheden tot contactherstel te kijken als [de minderjarige] naar de basisschool gaat: welke vorm van onderzoek wordt concreet beoogd, welke instantie is de gecertificeerde instelling voornemens in te zetten en hoe lang is de wachtlijst daarvoor?
De gecertificeerde instelling wordt verzocht te bevestigen dat [de minderjarige] is aangemeld voor speltherapie en mee te delen hoe lang de wachtlijst daarvoor is.
De gecertificeerde instelling zal de ingediende stukken aanpassen zoals ter zitting verzocht door de moeder en toegezegd namens de gecertificeerde instelling: toevoegen van de in het laatste gezinsplan ontbrekende vermelding van het doel van de ondertoezichtstelling betreffende contactherstel en aanpassen van de passage op bladzijde 17 van het laatste gezinsplan over de rol van de moeder.
De rechtbank heeft partijen medegedeeld dat na ontvangst van het bovenstaande (vóór of uiterlijk op 11 juli 2025) opnieuw en op korte termijn een zitting zal worden bepaald voor de voortzetting van de mondelinge behandeling.
1.3.
Bij beschikking van 5 september 2025 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het verzoek van de moeder tot het doen gelasten van een deskundigenonderzoek, afgewezen. De behandeling van het verzoek van de moeder tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing en het vaststellen van een contactregeling (
C/09/677371 / JE RK 24-2265) is aangehouden tot een nader te bepalen zitting bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, gelegen vóór 19 december 2025.
1.4.
De rechtbank neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
In verzoek I (C/09/677371 / JE RK 24-2265):
  • de beschikking van 5 september 2025;
  • het bericht van de advocaat van de moeder over de hechting tussen moeder en kind, ontvangen op 9 september 2025;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 8 december 2025.
In verzoek II (C/09/695679 / JE RK 25-2080):
- het verzoekschrift met bijlagen, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , ontvangen op 5 december 2025.
1.5.
Op 18 december 2025 heeft op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank de (voortzetting van de) mondelinge behandeling van de verzoeken plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat en vergezeld van [naam 3] (begeleidster van de moeder) als toehoorder;
  • [naam 4] , [naam 5] en mr. T. Mekkelholt namens de gecertificeerde instelling;
  • [naam 1] , pleegzorgwerker;
  • [naam 2] , gedragswetenschapper van pleegzorg, vergezeld van [naam 6] (stagiaire) als toehoorder.
De pleegouders zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.
1.6.
De moeder heeft ter zitting een brief aan de rechtbank en de belanghebbenden overgelegd. Ter zitting heeft de moeder de brief voorgelezen. De brief is aan het dossier toegevoegd.

2.De feiten

2.1.
De gecertificeerde instelling heeft op 31 januari 2024 de volgende schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven:
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stelt de volgende omgang vast: Het volledige contact tussen u en [de minderjarige] is volledig stopgezet.
2.2.
Bij beschikking van 8 maart 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing afgewezen.
2.3.
De moeder heeft de gecertificeerde instelling op 11 december 2024 verzocht de schriftelijke aanwijzing geheel in te trekken wegens gewijzigde omstandigheden. De gecertificeerde instelling heeft daar op 12 december 2024 schriftelijk op gereageerd en het verzoek van de moeder afgewezen.
2.4.
Bij beschikking van 1 oktober 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank van 24 januari 2025 bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en in het licht daarvan het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit.
2.5.
Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 24 januari 2025.
3.
Het verzoek van de moeder en haar standpunt ten aanzien van het verzoek van de gecertificeerde instelling
3.1.
De moeder verzoekt te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2024, in stand gelaten door de rechtbank bij beschikking van 8 maart 2024, wegens een wijziging van omstandigheden wordt ingetrokken, en te bepalen dat een bezoekregeling wordt vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] van één keer per drie weken een uur, althans een andere regeling door de kinderrechter in goede justitie te bepalen. De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De moeder heeft op de zitting van 18 december 2025 te kennen gegeven haar verzoek en haar standpunt zoals weergegeven in de beschikking van 5 september 2025 te handhaven. Haar advocaat heeft daaraan toegevoegd dat het te vroeg is voor een eindoordeel ten aanzien van het verzoek van de moeder. Het traject bij Prodeba verloopt, aldus de advocaat, traag. Het is nog niet bekend hoe [de minderjarige] op de therapie zal reageren en welke contactregeling hij aan zal kunnen. Het is daarom lastig om te bepalen hoe een contactregeling er momenteel uit zou moeten zien. Wel vindt de moeder het van groot belang dat de rechtbank een vinger aan de pols houdt om de voortgang en het correcte verloop van het onderzoek te monitoren. De advocaat vindt het kwalijk dat de stukken van Basic Trust niet door de gecertificeerde instelling naar Prodeba zijn gestuurd. Naast deze stukken hadden ook de omgangsverslagen opgestuurd moeten worden, zodat Prodeba kan onderzoeken waarom de bezoeken op een gegeven moment minder goed gingen. Verder was het voor de moeder moeilijk, en onaangenaam, om in de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling te lezen dat contactherstel mogelijk pas plaats zal vinden als [de minderjarige] in de puberteit is.
3.3.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de gecertificeerde instelling. De advocaat heeft meegedeeld dat de moeder cassatie wil instellen tegen de beschikking van het hof van 1 oktober 2025 en dat daarom advies van een cassatie-advocaat is verzocht.
De moeder is het niet eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar zij legt zich wel bij de situatie neer. De moeder begrijpt dat [de minderjarige] niet van de ene op andere dag bij haar kan wonen. Mocht de rechtbank komen tot een eindbeslissing ten aanzien van het verzoek van de moeder, dan wordt verzocht om in ieder geval de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur toe te wijzen en het verzoek voor het overige aan te houden zodat de rechtbank een vinger aan de pols kan houden.
3.4.
De moeder heeft zelf naar voren gebracht dat zij haar zoon mist en graag weer contact met hem wil hebben. Het is belangrijk dat het belang van [de minderjarige] centraal staat en dat de positie van zijn biologische moeder erkend wordt. De moeder vindt het oneerlijk dat zij niet kan laten zien dat zij [de minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden. Zij heeft méér gedaan dan van haar gevraagd is en wil laten zien dat zij van feedback kan leren. De moeder heeft zorgen over het feit dat haar zoon in een pleeggezin opgroeit. Zij heeft gelezen over de situatie van het Vlaardingse pleeggezin en over ervaringen van andere ouders met uithuisgeplaatste kinderen. De moeder ervaart weerstand van de pleegmoeder en voelt zich niet gehoord door de gecertificeerde instelling. Desgevraagd heeft de moeder verteld dat zij een intakegesprek heeft gehad bij Prodeba en dat haar gevraagd is om stukken op te sturen. De moeder heeft de stukken van Middin en de stukken betreffende de Video Interactie Begeleiding opgevraagd en zal ook de stukken van Basic Trust aan Prodeba opsturen.
4.
Het verzoek van de gecertificeerde instelling en het standpunt van de gecertificeerde instelling ten aanzien van het verzoek van de moeder
4.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft het standpunt en verweer ten aanzien van het verzoek van de moeder zoals weergegeven in de beschikking van 5 september 2025. Op dit moment zijn de omstandigheden niet zodanig gewijzigd dat de schriftelijke aanwijzing vervallen kan worden verklaard. Het is van belang dat de huidige schriftelijke aanwijzing in stand blijft omdat contact nog altijd niet in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. In januari 2026 zal het traject bij Prodeba starten. De gevraagde hulp aan Prodeba is gericht op het herstellen van het basisvertrouwen en de basisveiligheid van [de minderjarige] en het verrichten van onderzoek naar de manier waarop hij zijn moeder weer kan verdragen. Het behandelplan moet nog worden opgesteld. De behandelaren denken onder andere aan exposure-therapie met Playmobil. De gecertificeerde instelling heeft verteld dat dit volgens de behandelaren al een grote stap voor [de minderjarige] is. Mocht [de minderjarige] dit niet aan kunnen, dan zal er volgens de behandelaren mogelijk gewacht moeten worden tot zijn puberteit. Desgevraagd vindt de gecertificeerde instelling dit een ingewikkelde uitspraak. De gecertificeerde instelling streeft naar het zo snel mogelijk herstellen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Als contact mogelijk of noodzakelijk is voor het traject bij Prodeba, dan zal dat een reden zijn om een nieuwe schriftelijke aanwijzing te geven die de oude schriftelijke aanwijzing buiten werking zal stellen. Voor de opbouw, de vorm en de frequentie van het contact vertrouwt de gecertificeerde instelling op de expertise van Prodeba.
4.2.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. [de minderjarige] laat een mooie vooruitgang in zijn ontwikkeling zien. Tegelijkertijd is er sinds november 2023 geen contact meer met moeder en ziet de jeugdzorgwerker dat [de minderjarige] extreem heftig gedrag heeft laten zien als hij geconfronteerd wordt met iets van moeder. Op die momenten staat [de minderjarige] stil in zijn ontwikkeling. Hij heeft dan constante nabijheid nodig van pleegouders, huilt veel, praat weinig, heeft nachtmerries, wordt schreeuwend wakker, is schrikachtig, heeft lichamelijke problemen zonder medische oorzaak en verliest vaardigheden die hij eerder wel bezat. De gecertificeerde instelling wil aan Prodeba vragen om te onderzoeken welke trauma’s [de minderjarige] heeft. De gecertificeerde instelling is bang dat [de minderjarige] in zijn ontwikkeling stagneert als hij onrust en onveiligheid blijft ervaren. Op dit moment is rust noodzakelijk, maar is het ook belangrijk dat hij een vorm van therapie krijgt als hij daar klaar voor is. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen om de moeder. De moeder heeft meegewerkt aan de noodzakelijke hulpverlening, heeft een eigen huis en krijgt begeleiding. Tegelijkertijd is zij een kwetsbare vrouw door haar verleden, psychische klachten en haar functioneren op zwakbegaafd niveau. De gecertificeerde instelling vreest dat de moeder de situatie niet kan accepteren. Zij begrijpt niet waar [de minderjarige] ’s gedrag vandaan komt en denkt dat dit kind-eigen problematiek kan zijn.

5.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[de minderjarige] heeft zich in het afgelopen jaar onmiskenbaar in positieve zin ontwikkeld. Zijn ontwikkeling wordt evenwel nog steeds ernstig bedreigd. De achterstand die hij in zijn ontwikkeling heeft opgelopen is nog niet ingehaald. Ook ligt er een bedreiging in (het voortduren van) het ontbreken van het contact met zijn moeder. De moeder is op haar beurt niet in staat om deze ontwikkelingsbedreiging zelfstandig weg te nemen. Daarom is een verlenging van de ondertoezichtstelling geboden.
5.3.
In deze zaak staat het belang van [de minderjarige] centraal om met zijn moeder contact te hebben. De inspanningen in het kader van de ondertoezichtstelling moeten gericht zijn op contactherstel met de moeder. Het daadwerkelijk realiseren van contactherstel is, ondanks alle inspanningen van betrokkenen, tot nu toe niet gelukt. Waarom dit nog niet is gelukt is, is onduidelijk gebleven. Ook is niet duidelijk waar de door de jeugdbeschermer en de pleegmoeder gemelde heftige reacties van [de minderjarige] vandaan komen. Er zijn, wat dit betreft, aannames, maar duidelijke conclusies zijn nog niet getrokken. Hiervoor is breed diagnostisch onderzoek noodzakelijk, wat momenteel wordt ingezet. Volgens de gedragswetenschapper van pleegzorg is [de minderjarige] nu ook sterk genoeg om traumatherapie aan te kunnen. Eerder moest [de minderjarige] tot rust komen omdat de behandeling bij Basic Trust te veel van hem vroeg. De komende periode moet duidelijk worden wat er speelt bij [de minderjarige] en wat er nodig is om het contact tussen hem en zijn moeder te herstellen. Daarom is de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling het komende jaar nog altijd noodzakelijk om regie te voeren over de ingezette diagnostiek en hulpverlening.
5.4.
[de minderjarige] kan niet bij zijn moeder wonen. De moeder is bij de besproken omstandigheden niet in staat zorg te dragen voor zijn verzorging en opvoeding, en die situatie is al lange tijd onveranderd. In het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] blijft het daarom noodzakelijk dat hij elders verblijft. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het pleeggezin, waar hij opgroeit, blijft dan ook nodig.
5.5.
De rechtbank ziet in de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging, de tijd die nodig zal zijn om die weg te nemen, en in de hiervoor besproken redenen waarom [de minderjarige] niet bij de moeder verzorgd en opgevoed kan worden, aanleiding om de beschermingsmaatregelen voor de maximale duur te verlengen. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van een jaar.
5.6.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
Verzoek tot intrekking schriftelijke aanwijzing en vaststellen tijdelijke contactregeling
5.7.
De rechtbank moet beoordelen of sprake is van gewijzigde omstandigheden die rechtvaardigen dat de schriftelijke aanwijzing geheel, dan wel gedeeltelijk, moet worden ingetrokken. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
5.8.
Bij beschikking van 8 maart 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing afgewezen. De rechtbank stelt vast dat sindsdien de omstandigheden zijn gewijzigd. De gecertificeerde instelling heeft bij herhaling verklaard dat toegewerkt zal worden naar het zo snel mogelijk herstellen van het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. Inmiddels is bij Prodeba een onderzoek gestart -zoals hiervoor besproken-, onder meer naar de factoren die dit contact belemmeren. Een concreet onderzoeksplan is nog niet opgesteld, maar het doel van alle stappen die nu worden ondernomen is te komen tot een herstel van het contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder. Met dit doel en deze voorgenomen acties is niet verenigbaar dat nog steeds een schriftelijke aanwijzing van kracht is, inhoudende dat de moeder geen contact met [de minderjarige] mag hebben. Daarnaast is deze schriftelijke aanwijzing niet langer noodzakelijk, aangezien de moeder zich, in het belang van [de minderjarige] , houdt aan de afspraken met de gecertificeerde instelling.
5.9.
De kinderrechter heeft niet de bevoegdheid om in plaats van een bestuursorgaan een besluit -in dit geval: de schriftelijke aanwijzing- in te trekken. Daar komt bij dat ter toetsing ook alleen voorligt het besluit tot weigering om deze schriftelijke aanwijzing in te trekken. Wel kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling opdragen om het besluit
- dus: de schriftelijke aanwijzing - in te trekken. De rechtbank zal daarom de gecertificeerde instelling opdragen om de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2024 in te trekken.
5.10.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat er een contactregeling tussen [de minderjarige] en de moeder wordt vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De rechtbank beschikt nog niet over voldoende informatie om -nu al- een eindoordeel te geven over het verzoek om een contactregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen. Het is nog onduidelijk wat het behandelplan van Prodeba zal zijn en hoe [de minderjarige] tijdens het traject dat door Prodeba wordt ingezet, zal gaan reageren. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] wel noodzakelijk is om een contactregeling tussen hem en de moeder vast te stellen. Het is van belang dat er tijdens het traject bij Prodeba contact tussen de moeder en [de minderjarige] direct mogelijk is zodra de behandelaren dit passend achten. Daarom zal de rechtbank een tijdelijke contactregeling vaststellen voor de duur van (ongeveer) een half jaar, tot 30 juni 2026, die inhoudt dat er alleen contact zal plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de moeder indien en voor zover de behandelaren (van Prodeba of een soortgelijke instelling) bepalen dat en in welke vorm dat mogelijk is. Dit contact zal alleen plaatsvinden op de wijze die de behandelaren passend achten en onder regie van de gecertificeerde instelling. De behandeling van het verzoek van de moeder, dat verder strekt dan wat de rechtbank nu zal vaststellen, zal voor het overige worden aangehouden.
5.11.
De rechtbank vindt het belangrijk om zicht te houden op het traject naar contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] en heeft na voormelde periode actuele informatie nodig om tot verdere beoordeling van het verzoek van de moeder te komen. Vóór 30 juni 2026 zal daartoe opnieuw een zitting plaatsvinden en de rechtbank wil voorafgaand aan die zitting geïnformeerd worden over de laatste stand van zaken ten aanzien van de ontwikkeling van [de minderjarige] , de (verrichte) diagnostiek en behandeling bij Prodeba en de genomen stappen ten aanzien van het contactherstel. De rechtbank verzoekt de gecertificeerde instelling daarom om uiterlijk vier weken voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update – met bijvoeging van de daaraan ten grondslag liggende stukken - en het behandelplan van Prodeba aan de rechtbank, de moeder en haar advocaat en de pleegouders toe te zenden. Niet valt uit te sluiten dat de rechtbank na ontvangst daarvan aanleiding ziet om aanvullende stukken te vragen en/of om informanten op te roepen.
In de schriftelijke update moet in ieder geval opgenomen worden:
  • Hoe gaat het naar objectieve maatstaven met [de minderjarige] en hoe gaat het met hem op de basisschool?
  • Welke concrete hulpvraag is aan Prodeba voorgelegd, hoe is dit in het behandelplan van Prodeba opgenomen en welke stukken zijn naar Prodeba toegestuurd? Bij deze informatie dient in elk geval het behandelplan te worden meegezonden.
  • Wat is de stand van zaken betreffende het diagnostisch onderzoek en de behandeling van Prodeba? Welke hulpverlening is door Prodeba tot op heden ingezet en welke hulpverlening wordt nog ingezet?
  • Wat is de reactie van [de minderjarige] op de inzet van Prodeba en, als er sprake is van een reactie, hoe lang houdt deze aan?
  • Op welke manier zijn de moeder en de pleegouders betrokken (geweest) bij het onderzoek en de hulpverlening van Prodeba?
  • Heeft er in het kader van het diagnostisch onderzoek en het behandeltraject bij Prodeba al contact plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de moeder en zo ja, hoe is dit verlopen?
5.12.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat alle betrokkenen de aan hun standpunt ten grondslag liggende stukken toesturen, zodat anderen in staat worden gesteld om zich daartegen te verweren en naar aanleiding daarvan vragen te stellen, en de rechtbank in staat wordt gesteld om de onderbouwing van de standpunten te toetsen. De rechtbank benadrukt ook dat voorkomen moet worden dat er onjuiste parafraseringen als conclusies worden gepresenteerd. In dit kader verwacht de rechtbank dat, zoals ter zitting is besproken, Prodeba alle stukken zal ontvangen die voor het onderzoeks- en behandeltraject van [de minderjarige] van belang zijn, waaronder -maar niet uitsluitend- de stukken van Basic Trust.
5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 3 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 3 februari 2027;
6.3.
geeft de gecertificeerde instelling de opdracht om de schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2024 in te trekken;
6.4.
stelt de volgende tijdelijke contactregeling vast, die tot 30 juni 2026 zal gelden:
- er zal alleen contact plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de moeder indien en voor zover de behandelaren (van Prodeba of een soortgelijke instelling) bepalen dat en in welke vorm dat mogelijk is. Dit contact zal alleen plaatsvinden op de wijze die de behandelaren passend achten, onder regie van de gecertificeerde instelling;
6.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
houdt de behandeling van het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een contactregeling voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting bij
de meervoudige kamer van deze rechtbank, gelegen vóór
30 juni 2026;
6.7.
gelast de griffier tegen voornoemde zitting op te roepen:
- de moeder en haar advocaat;
- de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders;
- [naam 1] , pleegzorgwerker, als informant;
- [naam 2] , gedragswetenschapper, als informant;
6.8.
gelast de gecertificeerde instelling om
uiterlijk vier wekenvoorafgaand aan voornoemde nog te bepalen zitting een schriftelijke update (met onderbouwing) en het behandelplan van Prodeba, alles zoals hiervoor onder 5.11 overwogen, aan de rechtbank, de moeder en haar advocaat en de pleegouders toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door
mr. M.H. Rochat, mr. J.E. Bierling en mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 16 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.