De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds enige tijd bij zijn oom en tante verblijft. De kinderrechter heeft op 24 december 2025 de zitting gehouden waarbij ook de moeder, pleegouders en hun vertegenwoordigers aanwezig waren. De minderjarige heeft in het bijzijn van de jeugdbeschermer een gesprek gevoerd met de kinderrechter en een brief overhandigd.
De moeder heeft het ouderlijk gezag en werkt mee aan hulpverlening, maar het contact tussen haar en de minderjarige is moeizaam en momenteel stilgelegd vanwege de afwijzende houding van de minderjarige. De pleegouders bieden een stabiele en veilige omgeving waarin de minderjarige zich goed ontwikkelt. De hulpverlening is recent gestart en richt zich op het herstellen van het contact tussen moeder en kind.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Gezien de huidige situatie is terugplaatsing bij de moeder te vroeg en moet de hulpverlening worden voortgezet. De machtiging wordt verlengd tot 11 april 2026, waarna de zaak wordt voortgezet met een schriftelijke update van de hulpverlening en een nieuwe zitting. De kinderrechter benadrukt het belang van het contactherstel en de rol van de jeugdbeschermer in het monitoren van de situatie.