Eiseres, een minderjarige met de Surinaamse nationaliteit, vroeg op 25 april 2024 een visum kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 6 mei 2024 af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het reisdoel en twijfel over het vertrek uit de EU.
In bezwaar werd het besluit op 5 september 2024 gehandhaafd zonder hoorzitting. Eiseres stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat zij nadere informatie had verstrekt en expliciet om een hoorzitting had verzocht. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond verklaarde zonder hoorzitting, terwijl er twijfel bestond of het bezwaar tot een ander besluit had kunnen leiden.
De rechtbank stelde vast dat eiseres voldoende stukken had overgelegd en dat tijdens een hoorzitting onduidelijkheden over de familierelaties en sociale en economische binding met Suriname hadden kunnen worden opgehelderd. Ook de motivering van de minister over het ontbreken van binding werd onvoldoende geacht.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.