ECLI:NL:RBDHA:2025:27574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24/13405 en AWB 23/14011
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending hoorplicht bij afwijzing aanvraag verblijfsvergunning als gezinslid

Eiser, een Jamaicaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn Nederlandse partner (referente). De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een duurzame en exclusieve relatie conform artikel 8 EVRM Pro.

Eiser maakte bezwaar en verzocht expliciet om een hoorzitting, waarbij hij bewijsaanbod deed en aangaf niet te weten hoe de relatie verder te onderbouwen. De minister zag af van het horen in bezwaar en handhaafde het besluit. De rechtbank oordeelt dat het afzien van de hoorzitting onzorgvuldig was, omdat het horen in bezwaar de regel is en alleen mag worden achterwege gelaten als het bezwaar kennelijk ongegrond is.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht en onvoldoende motivering. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen na het houden van een hoorzitting. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €2.721,- toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen na een hoorzitting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/13405 (beroep)
AWB 23/14011 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaken tussen
[verzoeker], geboren op [geboortedag 1] 1974, van Jamaicaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.E.M. Goossens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ (referente). De minister heeft de aanvraag met het besluit van 31 oktober 2023 afgewezen.
1.1
Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend en hangende dit bezwaar aan de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening [1] .
1.2
Met het bestreden besluit van 2 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar geldt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu als een voorlopige voorziening hangende beroep.
1.4
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, referente, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling van het griffierecht
2. Eiser heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe, omdat aannemelijk is dat hij aan de voorwaarden voldoet. Dit betekent dat eiser geen griffierecht hoeft te betalen.
Achtergrond
3. Eiser heeft de Jamaicaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag 1] 1974. Eiser verblijft naar eigen zeggen sinds 2021 in Nederland. Hij heeft op 4 juni 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn partner, referente. Referente is geboren op [geboortedag 2] 1970 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft referente begin maart 2021 leren kennen en in augustus 2021 is het contact uitgemond in een liefdesrelatie.
Besluitvorming
4. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referente. De minister heeft daarom geconcludeerd dat tussen eiser en referent geen sprake is van familie of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verder acht de minister het vasthouden aan het mvv-vereiste niet onevenredig hard en ziet hij geen aanleiding om op basis van bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels. Aan eiser is ook een terugkeerbesluit opgelegd.
Standpunt eiser
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De minister heeft ten onrechte geconcludeerd dat eiser en referente niet aannemelijk gemaakt hebben dat zij een duurzame en exclusieve relatie met elkaar hebben. De minister heeft daarbij onvoldoende betekenis toegekend aan de overgelegde stukken, onder andere een onderbouwde tijdlijn met diverse foto’s en whatsappberichten. Eiser voert aan dat uit de overgelegde stukken volgt dat de relatie duurzaam is en dat zij samenwonen. Daarnaast heeft eiser in beroep diverse foto's en berichtwisselingen overgelegd als nadere onderbouwing van zijn standpunt. Ten onrechte is in het bestreden besluit aan eiser tegengeworpen dat hij en referente niet samen zijn ingeschreven op hetzelfde woonadres, nu dat voor eiser niet mogelijk is omdat hij geen burgerservicenummer heeft vanwege zijn verblijfsstatus. Eiser is verder van mening dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van objectieve en subjectieve belemmeringen om zijn gezinsleven met referente in Jamaica uit te oefenen. Tot slot heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar, terwijl hier wel om was verzocht.
Mocht de minister afzien van het horen in bezwaar?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, terwijl daar wel om was verzocht. De rechtbank gaat daarom eerst in op de vraag of de minister af had mogen zien van het horen in bezwaar. Deze vraag is essentieel voor de beoordeling van de overige aangevoerde argumenten. De rechtbank wijst erop dat het houden van een hoorzitting de regel dient te zijn en het afzien daarvan de uitzondering, waarbij het vaste rechtspraak is dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [3] Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [4] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing. Ook kan een gehoor uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij van horen kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Volgens hem was het op basis van hetgeen in bezwaar is aangevoerd meteen duidelijk dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst zou leiden dan het primaire besluit. Zowel in het verweerschrift als op de zitting heeft de minister betoogd dat onvoldoende bewijs is geleverd voor het bestaan van familieleven tussen eiser en referente.
6.2.
De rechtbank volgt het betoog van eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank stelt voorop dat eiser in de bezwaarprocedure documenten heeft overgelegd met de bedoeling de minister ervan te overtuigen dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft met referente. In de bezwaarprocedure heeft eiser onder meer een afspraakbevestiging van de gemeente, 23 foto’s, een beantwoorde vragenlijst en salarisstroken van referente ingediend. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de minister de hoeveelheid overgelegde stukken als onvoldoende beschouwt om de gestelde duurzame en exclusieve relatie aannemelijk te maken, is zij van oordeel dat de minister niet had mogen afzien van een hoorzitting in bezwaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
6.2.1.
In de eerste plaats heeft eiser expliciet verzocht om gehoord te worden. Daarnaast merken eiser en referente in het bezwaarschrift op dat zij niet goed weten hoe zij hun relatie en samenwoning verder moeten onderbouwen. [5] Verder heeft eiser in bezwaar een bewijsaanbod gedaan, waarbij hij aangeeft dat de volwassen kinderen van referente en vrienden verklaringen kunnen afleggen. [6] De minister is hier in het bestreden besluit niet op ingegaan. De rechtbank overweegt dat, in een situatie als deze, waarbij zowel expliciet is verzocht om een hoorzitting, onduidelijkheid bestaat over wat nog verder verlangd wordt, en een bewijsaanbod is gedaan, de minister in het kader van zorgvuldigheid de betrokkene(n) de gelegenheid moet geven om te worden gehoord. De rechtbank acht daarbij van belang dat het hier gaat om een zaak waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. Hierbij wijst de rechtbank nogmaals op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 waaruit volgt dat horen in veel gevallen aangewezen is omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Dit heeft de minister echter nagelaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
6.3.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven op dit moment geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister opnieuw op het bezwaar moet beslissen, nadat hij een hoorzitting heeft gehouden. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
7.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
7.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak AWB 24/13405:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 23/14011:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,-,
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.AWB 23/14011.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
5.Op de zitting hebben eiser en referente dit herhaaldelijk benadrukt. Zij voelen zich niet gehoord.
6.Ook dit hebben eiser en referente op de zitting herhaald en toegelicht.