ECLI:NL:RBDHA:2025:27575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.12713, NL24.34242 en NL25.34866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 66a VreemdelingenwetArt. 6.5 VreemdelingenbesluitArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER en oplegging tienjarig inreisverbod bevestigd

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon die verblijft in een inrichting voor stelselmatige daders, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Deze aanvraag werd afgewezen omdat het een herhaalde aanvraag betrof zonder nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, conform artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank oordeelde dat het ouder worden van de kinderen en een wetenschappelijk onderzoek geen nieuwe feiten vormden.

Daarnaast legde de minister een inreisverbod van tien jaar op vanwege een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde, gebaseerd op meerdere veroordelingen en een hoog recidiverisico. De rechtbank vond dat de belangen van de kinderen onvoldoende concreet waren onderbouwd om het inreisverbod te weerleggen en dat de minister een individuele belangenafweging had gemaakt.

De rechtbank wees de beroepen ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd mondeling gedaan op 15 december 2025 door rechter L. Dolfing in aanwezigheid van griffier I.G.A. Karregat.

Uitkomst: De rechtbank wees de beroepen tegen afwijzing verblijfsdocument en oplegging tienjarig inreisverbod af en het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.12713 (beroep), NL24.34242 (voorlopige voorziening) en NL25.34866 (beroep)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER [1] en de oplegging van een inreisverbod van tien jaar aan eiser. In verband daarmee heeft verweerder een vlucht geboekt voor eiser waarmee hij op
22 december 2025 Nederland zal uitreizen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen die voorkomt dat hij Nederland moet uitreizen.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen in de zaken NL25.12713 en NL25.34866 ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak NL24.34242 af.

Beoordeling door de rechtbank

Afwijzing van het verblijfsdocument
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1984 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verblijft in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD). Deze ISD-maatregel is aan hem opgelegd met een vonnis van 4 december 2024.
2.2.
Op 11 september 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 augustus 2024 afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een herhaalde aanvraag, in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft namelijk eerder een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en verweerder heeft deze aanvraag met een besluit van 30 augustus 2022 afgewezen en tevens een terugkeerbesluit opgelegd. Het bezwaar van eiser tegen de eerdere afwijzing heeft verweerder met een besluit van 5 juli 2023 ongegrond verklaard. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser met zijn tweede aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft ingebracht ten opzichte van de vorige aanvraag en heeft verwezen naar het eerdere afwijzende besluit. Met een besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiser tegen de tweede afwijzing is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich wederom op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft ingebracht. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 [2] en heeft de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen [3] , die voorkomt dat eiser Nederland wordt uitgezet gedurende de beroepsprocedure.
2.3.
Verweerder heeft eiser met een brief van 23 oktober 2025 kenbaar gemaakt dat hij op 22 december 2025 Nederland zal uitreizen. Eiser heeft de rechtbank gelet daarop verzocht om vóór de voorgenomen overdracht op 22 december 2025 te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb mag een bestuursorgaan verwijzen naar een eerdere afwijzende beschikking, als een aanvrager bij een nieuwe aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (nova) vermeldt. Verweerder heeft hier toepassing aan gegeven en heeft gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. In het verweerschrift heeft verweerder zich wederom op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser is afgewezen als een herhaalde aanvraag, maar is verweerder ook inhoudelijk ingegaan op de beroepsgronden. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat verweerder onverminderd toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van Pro de Awb en dat verweerder in het verweerschrift slechts een aanvullende toelichting heeft gegeven. De rechtbank volgt verweerder hierin. Uit de besluitvorming en hetgeen is aangevoerd op de zitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder inderdaad artikel 4:6 van Pro de Awb heeft toegepast. De rechtbank kan volgen dat de aanvullende toelichting in het verweerschrift ter wille van eiser is gedaan. Eiser heeft verder geen gronden aangevoerd tegen de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Op de zitting heeft eiser genoemd dat het ouder worden van zijn kinderen en het daarmee veranderen van hun belangen een novum is waar rekening mee had moeten worden gehouden. De rechtbank is van oordeel dat het ouder worden van kinderen en het veranderen van hun belangen niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid. Tijdsverloop op zichzelf is namelijk geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid. Alleen als het tijdsverloop leidt tot een concreet en relevant nieuw feit of een veranderde omstandigheid, kan het aanleiding zijn om een verzoek toch inhoudelijk te behandelen. Eiser heeft echter geen relevante feiten benoemd in de situatie van de kinderen waaruit blijkt dat sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid.
2.6.
De rechtbank overweegt verder dat het door eiser genoemde wetenschappelijk onderzoek van de Universiteit Leiden van 19 september 2023 ook geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Het onderzoek bevat namelijk geen concrete, nieuwe inzichten die in de eerdere procedure nog niet bekend waren. Eiser heeft daarbij niet onderbouwd waarom dit onderzoek in zijn specifieke situatie zou moeten leiden tot een andere conclusie dan in de eerdere afwijzing.
2.7.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft afgezien van het houden van een hoorzitting. Verweerder mag daarvan afzien, als op voorhand geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander standpunt zou kunnen leiden. In bezwaar heeft eiser, net als bij zijn aanvraag, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeld. In beroep heeft eiser dit ook niet gedaan. Daardoor heeft verweerder terecht gesteld dat geen twijfel mogelijk was dat het bezwaar niet tot een ander standpunt zou kunnen leiden. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij nog punten had die hij wilde bespreken op de hoorzitting, overweegt de rechtbank dat eiser niet concreet heeft gemaakt welke specifieke punten hij dan had willen bespreken.
2.8.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank zal daarom niet verder ingaan op de overige gronden van eiser. Omdat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen, wijst de rechtbank ook het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Oplegging van het inreisverbod van tien jaar
3.1.
Verweerder heeft aan eiser met een besluit van 2 juli 2025 (het bestreden besluit 2) een zwaar inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar en een eerder opgelegd licht inreisverbod opgeheven. Verweerder heeft ook een besluit tot signalering opgelegd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen dit besluit rechtsreeks beroep ingesteld. [4]
3.2.
Aan een vreemdeling kan een inreisverbod worden opgelegd wanneer hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en een gevaar vormt voor de openbare orde. [5] Dit inreisverbod kan worden opgelegd voor de duur van tien jaar wanneer de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid. [6] Uit vaste rechtspraak [7] volgt verder dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder dient bij de beoordeling of daarvan sprake is alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van het besluit. Als een vreemdeling voorafgaand aan het opleggen van een inreisverbod omstandigheden aanvoert op grond waarvan volgens hem geen sprake is van een gevaar voor de openbare orde, moet verweerder aanvullend motiveren waarom die omstandigheden niet tot een andere oordeel leiden.
3.3.
De rechtbank stelt allereerst vast dat, zoals verweerder ook heeft gesteld, het bestreden besluit 2 ex tunc moet worden getoetst. Dat betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit toetst aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het bestreden besluit 2 voordeden. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit 2 worden niet bij de beoordeling meegenomen.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser ten tijde van het bestreden besluit 2 een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft hiervoor in acht mogen nemen dat eiser in meer dan drie jaar is veroordeeld voor vijftien misdrijven, waaronder huiselijk geweld. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder niet heeft onderzocht of sprake is van een positieve gedragsverandering sinds de oplegging van de ISD-maatregel, overweegt de rechtbank dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hier sprake van is.
3.5.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder alleen heeft gekeken naar de strafrechtelijke veroordelingen en dat uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 juli 2025 [8] volgt dat dat niet mag. Uit die uitspraak volgt inderdaad dat verweerder bij de beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit en dat verweerder zich niet enkel mag baseren op een strafrechtelijke veroordeling of op algemene praktijk of een vermoeden. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder dat niet heeft gedaan. Verweerder heeft namelijk ook gekeken naar de reclasseringsrapporten van 21 augustus 2024 en 28 augustus 2024, waarin staat dat sprake is van een hoog recidiverisico en van aanwijzingen voor problematisch alcoholgebruik. Daardoor heeft verweerder terecht aangenomen dat de bedreiging actueel is.
3.6.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegewogen. Eiser heeft ook hier onvoldoende concreet gemaakt waar de belangen van de kinderen uit bestaan en hoe deze belangen worden geschonden door de oplegging van het inreisverbod. De algemene opmerking van eiser dat het goed is voor kinderen om met beide ouders op te groeien, is onvoldoende om te stellen dat verweerder het inreisverbod niet had mogen opleggen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat eiser is veroordeeld voor huiselijk geweld. Gelet op die omstandigheden samen is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de belangen van de kinderen dusdanig in het geding zijn dat verweerder moet afzien van het opleggen van een inreisverbod.
3.7.
Voor zover eiser aanvoert dat verweerder geen individuele analyse heeft gemaakt, volgt de rechtbank eiser niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat wel heeft gedaan. De beoordeling van verweerder in het bestreden besluit 2 is toegespitst op eiser zelf en op wat er in het dossier van eiser is aangetroffen.
3.8
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de door verweerder gedane belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [9] gebrekkig is. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom verweerder de belangenafweging niet goed zou hebben gemaakt. Eiser heeft wel gesteld dat hij contact heeft met zijn dochter, maar heeft niet concreet gemaakt hoe dat contact eruit ziet. De enkele opmerking dat hij contact heeft met zijn dochter, is onvoldoende voor de conclusie dat de belangenafweging niet goed is gemaakt.
3.9
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij sterke banden heeft met Nederland. Dat eiser een ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen en dat hij daardoor binding heeft met Nederland, is daarvoor onvoldoende. In het geval van eiser is de ISD-maatregel, nu hij niet rechtmatig in Nederland verblijft, bovendien niet gericht op re-integratie, maar op beveiliging van de Nederlandse samenleving en ter repatriëring van eiser naar Marokko.
3.10.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de signalering een disproportionele en dubbele maatregel is. Uit paragraaf A4/4.1 van de Vreemdelingencirculaire volgt dat een inreisverbod en een besluit tot signalering naast elkaar kunnen bestaan. Als een zwaar inreisverbod is opgelegd, wordt aangenomen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een besluit tot signalering. Uit paragraaf A2/12.6 van de Vreemdelingencirculaire volgt verder dat een signalering wordt ingevoerd als een vreemdeling een terugkeerbesluit krijgt opgelegd, dan wel met een inreisverbod.
3.11.
Voor zover eiser aanvoert dat verweerder de duur van het inreisverbod voor tien jaar niet heeft onderbouwd, volgt de rechtbank eiser niet. De rechtbank ziet dat verweerder in het bestreden besluit 2 heeft onderbouwd hoe verweerder tot de conclusie is gekomen dat een inreisverbod voor tien jaar moet gelden. Eiser heeft verder niets aangevoerd en geen stukken ingebracht waaruit volgt dat een kortere termijn aangewezen zou zijn.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER is ongegrond. Omdat de rechtbank nu heeft beslist op het beroep, is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Het beroep tegen de oplegging van een inreisverbod van tien jaar is ook ongegrond.
4.2.
Omdat beide beroepen ongegrond zijn en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen, krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten.
4.3.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025 door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.12713.
3.Dit verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer NL24.34242.
4.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.34866.
5.Op basis van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet.
6.Dat volgt uit artikel 6.5, vijfde lid, onder b van het Vreemdelingenbesluit.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.