Verzoekster heeft bij besluit van 22 november 2024 een afwijzing ontvangen op haar opvolgende asielaanvraag, bestreden bij de rechtbank Den Haag. Zij heeft beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 14 januari 2025 behandeld. Tijdens de zitting was verzoekster aanwezig met haar gemachtigde en een tolk, terwijl de minister zich liet vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het onderzoek werd op die zitting gesloten.
Op 25 februari 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan over het samenhangende beroep en dit gegrond verklaard. Hierdoor was een voorlopige voorziening niet langer nodig, en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster ter hoogte van €907,-.