ECLI:NL:RBDHA:2025:2800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
C/09/679236/KG RK 25-106
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39, derde lid, Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 8:18, derde lid, Algemene wet bestuursrechtArt. 515, derde lid, Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken van partijdigheid en schending hoor en wederhoor

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een bestuursrechtelijke zaak tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het verzoek betrof vermeende schending van het beginsel van hoor en wederhoor, partijdige bejegening en discriminerende vragen van de rechter.

De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld aan de hand van het proces-verbaal, schriftelijke stukken en de mondelinge behandeling. Er is geoordeeld dat verzoeker en zijn vertegenwoordiging voldoende gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten naar voren te brengen. De vraag van de rechter over de kosten van verzoeker werd feitelijk en neutraal gesteld naar aanleiding van een nieuw argument en bood ook de wederpartij de mogelijkheid te reageren.

Klachten over een ongelijke bejegening en een vermeende schijn van partijdigheid werden niet onderbouwd met concrete feiten of omstandigheden. De wrakingskamer benadrukte dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden tot wraking kunnen leiden.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen, met de bepaling dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij indiening van het verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens ontbreken van aanwijzingen voor partijdigheid of schending van hoor en wederhoor.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/6
zaak- /rekestnummer: C/09/679236 / KG RK 25-106
Beslissing van 24 februari 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. L.C. Bannink,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 27 januari 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 februari 2025.
1.2.
Op 10 februari 2025 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door zijn zoon [naam] ;
- de rechter.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR 24/3372 PW tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft op zitting een vraag gesteld over de kosten/vaste lasten van verzoeker. Hierin is een schijn van vooringenomenheid gelegen omdat de vaste lasten die verzoeker als bijstandsgerechtigde zou hebben in twijfel worden getrokken. Verder was de rechter niet grondig en heeft zij geen gelegenheid gegeven tot het reageren op hetgeen door de gemeente is gesteld. De zoon van verzoeker heeft geen kans gekregen om naar voren te brengen waar het in deze zaak werkelijk om gaat. Er is geen kans gegeven voor adequate hoor en wederhoor. Verzoeker vond de rechter niet deskundig, omdat zij niet veel afweet van het beleid van de gemeente Den Haag ten aanzien van bijstandsgerechtigden, zij niet maatschappelijk betrokken is en zij de dossierstukken niet heeft gelezen. Verder was er volgens verzoeker geen sprake van een eerlijk proces, omdat er bij de rechter geen enkele twijfel was over hetgeen de gemeente Den Haag op zitting aangaf. Er is geen ruimte gegeven om te spreken en de rechter was enkel kritisch naar verzoeker toe met vragen terwijl de rechter ten opzichte van de gemeente een veel soepelere houding heeft aangenomen. Er is sprake van een schijn van partijdigheid omdat de rechter tijdens het gehele proces de claims van de gemeente als waarheid heeft aangenomen en de claims van verzoeker betwijfelde en verzoeker om bewijs heeft gevraagd.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Het wrakingsverzoek ziet er - kort gezegd - op dat er niet voldoende hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden, dat de rechter verzoeker op een andere manier heeft bejegend dan de wederpartij en dat de rechter verzoeker vragen heeft gesteld die als discriminerend en partijdig zijn ervaren.
3.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat geen sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Blijkens het proces-verbaal van de zitting is de zoon van verzoeker pas enige tijd na aanvang van de zitting binnengekomen. De zoon van verzoeker heeft niettemin alsnog de kans gekregen om het woord te voeren. Daar komt bij dat verzoeker werd vertegenwoordigd door een advocaat die blijkens het proces-verbaal (ook) uitgebreid aan het woord is geweest. Aan het einde van de zitting heeft de rechter gevraagd of er nog punten zijn die partijen naar voren gebracht willen hebben. De advocaat van verzoeker had geen opmerkingen meer. Hierna is de zoon van eiser nog aan het woord geweest, waarna de rechter de gemachtigde van verweerder de gelegenheid heeft gegeven hierop te reageren. Nadat de zoon aangaf hierop nog iets te willen toevoegen, heeft de rechtbank aangegeven dat de standpunten helder zijn en dat de behandeling wordt gesloten. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker daarmee voldoende gelegenheid is gegeven om zijn standpunt naar voren te (laten) brengen. Dat (de zoon van) verzoeker zich hierbij niet gehoord heeft gevoeld, maakt niet dat sprake is van vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter. De rechtbank heeft immers de regie op de zitting. Hierbij is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake van (een schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter.
3.4.
De vraag die de rechter heeft gesteld over welke kosten verzoeker precies heeft, is naar het oordeel van de wrakingskamer evenmin als vooringenomen of partijdig aan te merken. De rechter heeft deze vraag gesteld naar aanleiding van een argument dat voor het eerst op de zitting aan de orde is geweest. De rechter heeft verweerder vervolgens de gelegenheid geboden daarop te reageren. Zoals uit het proces-verbaal volgt is deze vraag heel feitelijk en neutraal gesteld.
3.5.
Ook voor zover de klachten van verzoeker betrekking hebben op de manier waarop hij door de rechter is bejegend, in die zin dat de rechter minder kritisch is geweest naar verweerder dan naar verzoeker, leidt dit niet tot een gegrond wrakingsverzoek. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hieruit (de schijn van) partijdigheid van de rechter volgt, zijn niet gebleken.
3.6.
Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht/artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. Kleijn, E.E. Schotte en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier D. van den Born en in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.