Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank had eerder op 10 februari 2025 het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het verzet van verzoeker tegen die uitspraak behandeld.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en geoordeeld dat nu het verzet is behandeld, een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk is. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is telefonisch medegedeeld aan de gemachtigden en openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.