ECLI:NL:RBDHA:2025:2817

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
NL25.1914 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbVerordening (EU) 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op basis van Dublinverordening ongegrond verklaard

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft dit beroep op 10 februari 2025 ongegrond verklaard, waarbij is geoordeeld dat Kroatië als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangemerkt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen reden was om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen.

Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet ingesteld, stellende dat de rechtbank onvoldoende heeft beoordeeld of verweerder alle feiten en persoonlijke omstandigheden in samenhang heeft meegewogen, en dat er wel sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die een overdracht naar Kroatië onredelijk maken.

De rechtbank heeft in haar verzetuitspraak van 24 februari 2025 geoordeeld dat de eerdere uitspraak voldoende gemotiveerd is en dat de aangevoerde omstandigheden niet leiden tot twijfel over het oordeel. De rechtbank concludeert dat verweerder de relevante feiten en omstandigheden adequaat heeft beoordeeld en dat het verzet ongegrond is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1914 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: R. Deniz),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 februari 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag op 10 januari 2025. Bij uitspraak van 10 februari heeft de rechtbank het beroep van opposant ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. [1]
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend.
Opposant heeft niet gevraagd te worden gehoord op het verzet. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van opposant ongegrond verklaard. De reden hiervoor was dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat voor Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [2]
2. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank niet heeft beoordeeld of verweerder alle feiten en omstandigheden voldoende kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Dat opposant aannemelijk moet maken dat verweerder niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, laat onverlet dat verweerder uit eigen beweging rekening zal moeten houden met alle relevante en objectieve informatie. Daarnaast is onvoldoende duidelijk of verweerder de persoonlijke omstandigheden van opposant in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en of het redelijk is dat verweerder geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Tot slot voert opposant aan dat ten onrechte is overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Eiser heeft immers meer aangevoerd dan dat hij geen toegang heeft gekregen tot de asielprocedure, geen opvang heeft gehad en is mishandeld.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In de uitspraak is gemotiveerd waarom de door eiser aangedragen omstandigheden niet hebben geleid tot het oordeel dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is hierbij ingegaan op alle door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder de toegang tot de asielprocedure, de toegang tot de opvang en de mishandelingen door de autoriteiten. De rechtbank heeft ook gemotiveerd waarom verweerder hierin geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hieruit volgt dat de rechtbank in haar uitspraak tot het oordeel is gekomen dat verweerder de door opposant aangevoerde omstandigheden voldoende heeft beoordeeld en dat deze ook voldoende in samenhang zijn bezien.

Conclusie en gevolgen

5. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 februari 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch medegedeeld aan de gemachtigde van opposant op 24 februari 2025 om 12:27 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 24 februari 2025 om 12:30 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Verordening (EU) 604/2013.