ECLI:NL:RBDHA:2025:2859
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling.
Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat de minister onvoldoende zorgvuldig had gehandeld, met name omdat de door hem gestelde problemen met een mensensmokkelaar in Frankrijk niet zouden zijn betwist. Tevens stelde hij dat op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening Nederland de aanvraag had moeten behandelen vanwege bijzondere omstandigheden en dat overdracht aan Frankrijk zou leiden tot onevenredige hardheid.
De rechtbank oordeelde dat de minister het juiste beoordelingskader had gehanteerd en zijn besluit voldoende had gemotiveerd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigt het uitgangspunt dat Frankrijk zijn verplichtingen nakomt. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet terecht kan bij Franse autoriteiten. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Proceskosten werden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.