ECLI:NL:RBDHA:2025:2910

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
27 februari 2025
Zaaknummer
NL24.48342
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel in grensdetentie

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 1 december 2024 door de minister van Asiel en Migratie als kennelijk ongegrond is afgewezen. Tegen dit besluit is beroep ingesteld. Verzoekster verblijft in grensdetentie en heeft een voorlopige voorziening gevraagd om de behandeling van het beroep in Nederland af te kunnen wachten.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft het verzoek beoordeeld zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, omdat dat niet noodzakelijk werd geacht. De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van de voorlopige voorziening, mede omdat aanvullende stukken zijn ingediend en de reactie van de Keniaanse autoriteiten wordt afgewacht.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 453,50. De rechtbank benadrukt dat zij niet bevoegd is om over de grensdetentie zelf te oordelen.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, het bestreden besluit geschorst en uitzetting van verzoekster in grensdetentie wordt verboden totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48342

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening vanwege het besluit van 1 december 2024, waarin de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. [1]
1.1.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. [2] In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om de behandeling van dat beroep in Nederland te mogen afwachten.
1.2.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [3]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek op een zitting te behandelen. [4]
3. In de zaak met zaaknummer NL24.48341 zijn door verzoekster op 5 en 6 februari 2025 aanvullende stukken gestuurd, waarop de minister nog geen standpunt kan innemen. De behandeling van het beroep op 11 februari 2025 is – op verzoek van de minister - daarom aangehouden. Verzoekster verzoekt daarom om toewijzing van de voorlopige voorziening en wijst daarbij op het gegeven dat zij in grensdetentie verblijft.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Bij brief van 10 februari 2025 geeft de minister aan dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de voorlopige voorziening. De minister acht de aanvullende stukken relevant en wil de reactie van de Keniaanse autoriteiten afwachten en op basis daarvan een standpunt innemen. Wat de toewijzing van de voorlopige voorziening betekent voor de grensdetentie van verzoekster, wordt buiten beschouwing gelaten in deze uitspraak. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft immers niet de bevoegdheid om te oordelen over de grensdetentie van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst om bovenstaande reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Zaaknummer: NL24.48341.
3.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
4.Dat staat in de artikelen 8:81 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.