Eiser maakte bezwaar tegen een UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en stelde beroep in wegens het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn was overschreden en dat verweerder in gebreke was gesteld zonder dat alsnog een besluit was genomen.
De rechtbank oordeelde dat in medische zaken waarbij een verzekeringsarts een beoordeling moet geven, een termijn van zes weken na de medische beoordeling en vervolgens zes weken voor het nemen van een besluit redelijk is, maar dat deze termijn kan worden aangepast op basis van bijzondere omstandigheden. In deze zaak was de hoorzitting op 3 februari 2025 geweest, waardoor de rechtbank een termijn van drie weken na de uitspraak voor het nemen van een besluit passend achtte.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.