Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] belanghebbende
de heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
Overwegingen
het bedrijfsmodeleruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [3] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. [4] Dat in dit geval sprake is van een dergelijk bijzonder geval, heeft belanghebbende noch zijn gemachtigde aannemelijk gemaakt. Weliswaar zijn in de onderhavige zaak door deze gemachtigde duidelijk tijd en moeite gestoken in de procedure, en zijn in zijn aanvulling op het beroepschrift ook op de zaak toegespitste gronden opgenomen die niet kunnen worden aangemerkt als gestandaardiseerde tekstblokken, echter, dat is naar het oordeel van de rechtbank niet de toets die in dit verband geldt. De toets is niet of op individueel zaaksniveau wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde(n), maar op bedrijfsmodelmatig niveau. Dat dit laatste het geval is, is niet aannemelijk geworden. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust [5] , heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen, laat staan aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde niet kwalificeert als een door de Hoge Raad geschetst geval waarvoor de beperkende vermenigvuldigingsfatcor(en) wel geld(t)(en).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 415.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 415.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.228,76 (€ 1.100,50 + € 128, 26);
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.