Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de ingangsdatum van haar verblijfsvergunning asiel die door de minister was vastgesteld op 23 mei 2022. Zij stelde dat de vergunning moet ingaan op 16 mei 2022, de datum waarop zij zich meldde bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en haar asielwens kenbaar maakte, zoals blijkt uit haar loopbrief.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en het onderzoek heropend om de minister in de gelegenheid te stellen te reageren op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de betekenis van de loopbrief voor de ingangsdatum. Na schriftelijke reacties van partijen heeft de rechtbank het beroep zonder nadere zitting afgedaan.
De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum onjuist heeft vastgesteld. Uit de jurisprudentie volgt dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens kenbaar maakt, wat in deze zaak op 16 mei 2022 was. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond, vernietigt het besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelt zelf de ingangsdatum vast op 16 mei 2022.
De rechtbank veroordeelt tevens de minister tot betaling van proceskosten van €1.814,- aan eiseres. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het besluit van 17 november 2023.