Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 13 juni 2024 waarin de minister werd opgedragen binnen twintig weken te beslissen. De minister heeft echter nagelaten binnen deze termijn te besluiten.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk zijn, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer de besluiten zullen volgen. Daarom legt de rechtbank een termijn van twee weken op waarbinnen de minister moet beslissen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd, met een maximum van €37.500, om naleving van deze termijn af te dwingen. Eiseressen krijgen tevens een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend, rekening houdend met het inschakelen van een professionele gemachtigde en de beperkte aard van het geschil.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van de beroepen af, omdat dit de prikkel tot tijdige besluitvorming zou wegnemen. De zaken worden als samenhangend beschouwd vanwege de gezamenlijke machtiging en gelijktijdige beroepen. De uitspraak is gedaan door rechter Schaaf en griffier Thépass op 28 februari 2025.