Eiser maakte bezwaar tegen de door de minister vastgestelde ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel, die was vastgesteld op 6 juni 2023. Volgens eiser had de vergunning moeten ingaan op 26 mei 2023, de dag waarop hij zich meldde bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en zijn asielwens kenbaar maakte.
De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum onjuist heeft vastgesteld. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 januari 2025 volgt dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens kenbaar maakt, bijvoorbeeld via een loopbrief. In dit geval staat vast dat eiser op 26 mei 2023 zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het besluit voor zover het de ingangsdatum betreft. De rechtbank stelt zelf de ingangsdatum vast op 26 mei 2023 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten van € 907,- aan eiser.
De rechtbank behandelde de zaak zonder zitting, na schriftelijke uitwisseling van standpunten. Partijen stemden in met het niet houden van een zitting. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.