In deze civiele zaak staat de bewijslevering omtrent de ondertekening van een geldleningsovereenkomst en de omvang van de lening centraal. Eiser stelt dat hij ruim €230.000 heeft geleend aan gedaagde, die slechts €100.000 erkent. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bewijslast voor het hogere bedrag bij eiser ligt.
Eiser heeft geen deskundigenonderzoek laten uitvoeren en heeft zich in plaats daarvan beroepen op getuigenverklaringen. De rechtbank acht deze verklaringen onvoldoende specifiek en overtuigend om te bewijzen dat gedaagde de overeenkomst heeft ondertekend of dat het geleende bedrag hoger is dan €100.000. Ook het aanbod om getuigen te horen wordt afgewezen wegens gebrek aan relevantie.
De rechtbank concludeert dat eiser niet is geslaagd in zijn bewijslevering en gaat uit van een geleend bedrag van €100.000. Van dit bedrag is reeds €92.962,34 afgelost, zodat een restant van €7.037,66 wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De contractuele rente wordt afgewezen omdat niet bewezen is dat de overeenkomst is aangegaan.
De vorderingen van gedaagde in reconventie worden afgewezen, en zij wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. Het vonnis vernietigt deels een eerder verstekvonnis en verklaart het uitvoerbaar bij voorraad.