ECLI:NL:RBDHA:2025:3267
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met de Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.
Eiser betoogde dat terugkeer naar Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest zou opleveren vanwege mentale klachten en opvangproblemen, onderbouwd met verwijzing naar het AIDA-rapport 2023. Tevens stelde hij dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland tekortschiet in de opvang of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met genoemde artikelen. De stellingen over discriminatie en mentale klachten waren onvoldoende geconcretiseerd. Ook was er geen reden om artikel 17 toe Pro te passen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer zonder zitting.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.