Eiser heeft een asielaanvraag ingediend met de stelling dat hij Somalische nationaliteit bezit en dat het Keniaanse paspoort dat hij gebruikte frauduleus is verkregen. Hij voert aan dat hij in Somalië problemen heeft ondervonden en vreest vervolging, maar niet in Kenia. Verweerder heeft het paspoort echter als authentiek beoordeeld en het beroep afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid en onvoldoende onderbouwing van het frauduleuze karakter van het paspoort.
De rechtbank overweegt dat verweerder terecht uitgaat van de Keniaanse nationaliteit, omdat het paspoort echt is bevonden en eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om het tegendeel aannemelijk te maken. Het enkele contact met de Keniaanse ambassade en het overleggen van Somalische documenten zijn onvoldoende om de Keniaanse nationaliteit te ontkennen.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat het aan de vreemdeling is om voldoende bewijs te leveren en dat verweerder niet verplicht is om nader onderzoek te doen als de vreemdeling dit niet voldoende onderbouwt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.