ECLI:NL:RBDHA:2025:3406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
AWB 25/611
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 2u Vreemdelingenwet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf als familie- of gezinslid. De aanvraag dateert van 7 mei 2023 en de minister heeft de beslistermijn met drie maanden verlengd, waarna deze termijn is verstreken zonder besluit.

De rechtbank constateert dat eiseres de minister schriftelijk heeft ingebrekesteld, waarna nog steeds geen besluit werd genomen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond verklaard. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van 90 dagen op, ingaande op het moment dat de minister de zaak in behandeling neemt, te weten februari 2026, met een uiterste beslisdatum van 2 mei 2026.

Daarnaast wordt een bestuurlijke dwangsom opgelegd van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. Omdat reeds meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds ingebrekestelling zonder besluit, stelt de rechtbank de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442. De minister wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen 90 dagen na februari 2026 een besluit te nemen, met oplegging van een bestuurlijke dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2024 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 7 mei 2023, met dagtekening van 15 april 2024, tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] .
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]
2. Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Voordat eiseres een beroep kan indienen tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag, moet eiseres schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat er binnen twee weken alsnog moet worden beslist (de ingebrekestelling). [2] Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan eiseres beroep indienen.
4. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen. [3] De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eiseres heeft daarna aan de minister laten weten dat zij alsnog binnen twee weken moet beslissen. De zogenoemde ingebrekestelling. Hierop heeft de minister geen besluit genomen, waarna eiseres een beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 16 augustus 2024 [4] geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘first in first out’ (fifo)-principe van de minister. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel een termijn van 90 dagen oplegt, die begint op het moment dat de minister de zaak van eiseres in behandeling neemt. De minister heeft in haar verweerschrift aangegeven de aanvraag van eiseres in februari 2026 in behandeling te nemen. Dit betekent dat de minister vóór 2 mei 2026 een beslissing op de aanvraag van eiseres bekend dient te maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet vóór 2 mei 2026 een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. [5] Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?
7. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-. [6] Dat is het maximale bedrag.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister voor
2 mei 2026 een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om vóór 2 mei 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • stelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 2u, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw).
5.Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 4:17 van Pro de Awb.