ECLI:NL:RBDHA:2025:3492
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Emaus - Visschers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De rechtbank Den Haag heeft op 3 maart 2025 het beroep van eiser behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser stelde dat hij door Polen was uitgezet naar Congo en dat hij gedurende meer dan drie maanden het EU-grondgebied had verlaten, wat volgens hem Nederland verantwoordelijk zou maken.
Eiser overhandigde een verklaring van Congolese autoriteiten en vluchtgegevens ter onderbouwing, maar de rechtbank oordeelde dat deze stukken onvoldoende bewijs vormen. Er waren tegenstrijdigheden in de verklaringen en de overgelegde documenten waren kopieën die niet konden worden geverifieerd. Ook was niet aangetoond dat eiser daadwerkelijk gebruik had gemaakt van de vlucht of dat hij gedurende de gestelde periode in Congo verbleef.
Daarnaast voerde eiser aan dat de minister de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege ernstige mishandeling en mentale problemen. De rechtbank vond dat deze omstandigheden onvoldoende bijzonder waren om van overdracht aan Polen af te zien. Er was geen bewijs van specialistische zorg of onrechtmatige behandeling die een onevenredige hardheid zou vormen.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser naar Polen kan worden overgedragen. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft niet in behandeling.