De minister van Asiel en Migratie legde op 14 februari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op basis van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 25 februari 2025 via beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat hij niet voorafgaand aan de inbewaringstelling was gehoord, dat de maatregel niet op de juiste wettelijke grondslag berustte, dat de gronden de maatregel niet konden dragen en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld. De rechtbank stelde vast dat eiser wel degelijk op 14 februari 2025 is gehoord, dat de Eurodactreffers voldoende zijn voor een concreet aanknopingspunt voor een Dublinoverdracht en dat het ontbreken van een claimverzoek op dat moment niet relevant is.
De rechtbank oordeelde dat de gronden van de maatregel feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, ondanks de intrekking van het eerdere terugkeerbesluit. Ook is de minister voldoende voortvarend te werk gegaan, aangezien een gehoor gepland stond en de termijn voor het indienen van een claimverzoek nog niet was verstreken. De ambtshalve toetsing leidde niet tot een ander oordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.