ECLI:NL:RBDHA:2025:3506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
NL25.7689
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel wegens gebrek aan belang

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister heeft de rechtbank geïnformeerd over het besluit tot oplegging van deze maatregel, wat gelijkgesteld werd met een beroep.

De rechtbank constateerde dat eiseres reeds op 3 februari 2025 een beroep had ingesteld tegen dezelfde maatregel in een eerdere procedure (zaaknummer NL25.5117), welke op 21 februari 2025 inhoudelijk was beoordeeld. Hierdoor achtte de rechtbank het beroep in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang bij een nieuwe inhoudelijke beoordeling.

Partijen stemden in met afdoening zonder zitting. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door rechter Kerstens-Fockens op 5 maart 2025 en kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij inhoudelijke beoordeling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7689
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op 18 februari 2025 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak zonder zitting af te doen.1 De gemachtigde van eiseres heeft op 24 februari 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 februari 2025 hierop gereageerd. De rechtbank heeft op 28 februari 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de minister de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiseres zelf al op 3 februari 2025 beroep tegen de bewaringsmaatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met het nummer NL25.5117 is beoordeeld in de uitspraak van 21 februari 2025, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door de minister ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het onderhavige beroep (NL25.7689) daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 maart 2025

Documentcode: DSR46216675

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.