ECLI:NL:RBDHA:2025:362
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding en duurzame relatie
Eiser, een Colombiaanse nationaliteithebbende, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van zijn relatie met een Poolse partner. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat zij gedurende zes maanden een gezamenlijke huishouding voerden en een duurzame, exclusieve relatie hadden. De rechtbank bevestigde deze afwijzing na beoordeling van het primaire besluit, het bezwaar en het beroep.
De rechtbank overwoog dat het ontbreken van gezamenlijke inschrijving op hetzelfde adres ten tijde van het besluit doorslaggevend was, ondanks latere inschrijving en het openen van een gezamenlijke bankrekening. Ook de overgelegde bewijsstukken zoals e-mails, foto’s en vliegtickets waren onvoldoende om de vereiste duurzame relatie aan te tonen. De rechtbank stelde dat de stukken onvoldoende inzicht boden in zorg voor elkaar of gezamenlijke financiële verplichtingen.
Verder oordeelde de rechtbank dat geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden, omdat verweerder voldoende gelegenheid had gegeven om aanvullende stukken te overleggen en eiser geen geldige redenen had opgegeven voor het niet aanleveren daarvan. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit na uitspraak op het beroep.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de afwijzing van de aanvraag voor het verblijfsdocument. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER is ongegrond verklaard.