ECLI:NL:RBDHA:2025:3628

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
NL25.7433
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluitparagraaf A5/6.12 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000

De Minister van Asiel en Migratie legde aan eiser, van Algerijnse nationaliteit, een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting werd duidelijk dat er problemen waren met de tolk, aangezien eiser Berber spreekt en de toegewezen tolk Arabisch-Algerijns vertaalde. De rechtbank oordeelde dat dit geen reden was om de zaak aan te houden en dat de houding van eiser mogelijk bedoeld was om het proces te frustreren.

De minister baseerde de maatregel op zware gronden, zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het niet opvolgen van een terugkeerbesluit, en lichte gronden zoals het ontbreken van een vaste verblijfplaats. De rechtbank vond de zware gronden feitelijk juist en voldoende om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen. Eiser betwistte slechts enkele gronden, maar weerlegde het vermoeden niet.

Eiser voerde aan dat de minister tijdens zijn strafrechtelijke detentie onvoldoende inspanningen had verricht voor uitzetting, wat erkend werd door de minister. De rechtbank stelde vast dat dit een gebrek in het voortraject was, maar dat dit niet automatisch de maatregel onrechtmatig maakte. De belangenafweging viel uit in het voordeel van de minister, mede vanwege het gedrag van eiser tijdens het gehoor en zijn weigering mee te werken aan terugkeer.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Wel veroordeelde zij de minister tot betaling van proceskosten vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7433

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. El Manouzi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1988.
2. Aan het begin van de zitting heeft eiser (via de tolk) gezegd dat hij Berber is en de tolk niet goed kan verstaan. De rechtbank heeft eiser medegedeeld dat de zaak niet zal worden aangehouden en dat er geen andere tolk geregeld zal worden. De tolk vertaalt in het Arabisch Algerijns. De gemachtigde van eiser heeft bij het instellen van het beroep aangegeven dat eiser in deze taal gehoord wenst te worden. Verder blijkt uit het proces-verbaal van ophouding dat eiser is gehoord in deze taal en hij heeft verklaard de tolk te verstaan en begrijpen. Bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven een voorkeur te hebben voor een tolk Berbers, maar daarna heeft hij ook verklaard dat hij de Arabisch-Algerijnse tolk goed verstaat en begrijpt. Daarna verklaart hij dat hij geen Arabisch verstaat en Berbers spreekt. Later geeft hij nogmaals aan dat hij liever een tolk in de taal Berbers-Kabil wil. Deze is niet beschikbaar, waarna de tolk aangeeft dat eiser antwoorden geeft in vloeiend accentloos Arabisch. Bovendien blijkt uit het vertrekgesprek van 19 februari 2025 dat eiser en de live tolk Arabisch Algerijns hebben verklaard elkaar goed te begrijpen en te verstaan. Eiser verklaart Berber te zijn en die taal te spreken. De tolk beheerst die taal ook, maar het gesprek wordt in het Arabisch Algerijns gevoerd wat eiser volgens de tolk vloeiend beheerst. Bovendien is in het bestreden besluit opgemerkt dat eiser bij het aanmeldgehoor tijdens zijn asielaanvraag en alle gehoren daarna in het Arabisch-Algerijns is gehoord. Gelet op al deze omstandigheden, kan de houding van eiser over de taal waarin getolkt dient te worden moeilijk anders worden bestempeld dan pogingen om het proces te frustreren.
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de zware grond 3d en de lichte gronden 4a en 4d betwist en stelt dat het risico op onttrekking aan het toezicht in de maatregel van bewaring door de minister niet nader is gemotiveerd.
5. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist. Zoals in de maatregel aan eiser is tegengeworpen, heeft eiser in zijn aanmeldgehoor van 24 december 2021 verklaard dat hij tijdens zijn inreis in Europa geen geldig identiteitsdocument bij zich had, dat hij ook zonder document Nederland is ingereisd en dat eiser gelet hierop niet op voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Ook is in de maatregel aan eiser tegengeworpen dat op 31 januari 2022 een beschikking is geslagen waarin staat vermeld dat de asielaanvraag van eiser buiten behandeling is gesteld, dat daarbij aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en dat eiser daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829) volgt dat bij deze zware gronden in het algemeen kan worden volstaan met een feitelijke toelichting. De feitelijke juistheid van een dergelijke zware grond geeft in beginsel grond om aan te nemen dat aan het vereiste van het risico op onttrekking is voldaan. Een nadere toelichting waarom uit die zware grond een risico op onderduiken volgt, is daarom niet vereist. Eiser heeft dit rechtsvermoeden niet weerlegd.
7. De (niet betwiste) zware gronden onder 3a en 3c, de lichte grond 4c en de daarbij door de minister gegeven motivering zijn naar het oordeel van de rechtbank in onderlinge samenhang bezien voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de overige gronden behoeft geen bespreking meer.
8. Eiser voert verder in beroep aan dat de minister tijdens eisers strafrechtelijke detentie heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende inspanningsverplichting als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser heeft immers direct voorafgaand aan zijn inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie verbleven en de minister had in die periode uitzettingshandelingen moeten verrichten. Dit heeft de minister niet gedaan.
9. De minister heeft ter zitting erkend dat zij tijdens eisers strafrechtelijke detentie heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende inspanningsverplichting door geen uitzettingshandelingen te verrichten. De rechtbank constateert dat hiermee sprake is van een gebrek in het voortraject. Dit leidt er echter niet automatisch toe dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting moet er een belangenafweging plaatsvinden.
10. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Eiser heeft de zware gronden 3a en 3c en de lichte grond 4c die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet betwist. Zoals hiervoor reeds is overwogen rechtvaardigen deze gronden het vermoeden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden in combinatie met het feit dat eiser in 2022 met onbekende bestemming is vertrokken, zich hierdoor aan het toezicht heeft onttrokken en dat eiser langere tijd in Nederland is gebleven terwijl zijn asielaanvraag al was afgewezen en daarbij een terugkeerbesluit met terugkeerverplichting was opgelegd, waar eiser geen gevolg aan heeft gegeven, brengen de rechtbank tot het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding staan tot de ernst van het geconstateerde gebrek en de daardoor geschonden belangen. Daarbij acht de rechtbank verder van belang dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring expliciet heeft aangegeven dat hij niet gaat meewerken aan terugkeer naar zijn land. Dat blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de houding van eiser over de taal waarin getolkt moet worden en de onduidelijkheid die hij daarover tracht op te werpen, zowel tijdens het gehoor bij bewaring als ter zitting (zie hiervoor). Dat de minister volgens eiser vragen van de Afdeling heeft beantwoord en de rechtbank daarover niet heeft geïnformeerd alsmede de omstandigheid dat de minister uitgebreid op de foto is gegaan in Ter Apel op 6 februari 2025 in plaats van met eiser te praten, leggen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. De belangenafweging valt dan ook in het voordeel van de minister uit. Het gebrek in het voortraject heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
11. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank is gehouden (ECLI:EU:C:2022:858), ziet de rechtbank verder ook geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Het geconstateerde gebrek in het voortraject geeft de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.C.M. Boerboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.