De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van het model M122 in zijn dossier, onvoldoende voortvarendheid van de minister bij uitzetting, het ontbreken van toestemming van het Openbaar Ministerie, gebrek aan zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en het niet toepassen van een lichter middel.
De rechtbank constateerde dat het model M122 niet aan eiser was uitgereikt, wat een procedureel gebrek vormt, maar dit werd niet zwaar genoeg geacht om de maatregel van bewaring te verwerpen. De minister had voldoende zwaarwegende gronden voor de bewaring, waaronder het gebruik van valse documenten door eiser en eerdere ontduiking van toezicht. De rechtbank oordeelde dat de minister voortvarend handelde bij de uitzetting, onder meer door vertrekgesprekken en het starten van een nieuw laissez passer-traject.
Verder werd geoordeeld dat het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn aanwezig was en dat het ontbreken van toestemming van het OM geen onrechtmatigheid opleverde zolang de uitzettingsdatum nog niet bekend was. De maatregel werd niet als onevenredig beschouwd omdat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de minister werd wel veroordeeld in de proceskosten van eiser.