ECLI:NL:RBDHA:2025:3682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
11 maart 2025
Zaaknummer
23/1607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure

De rechtbank Den Haag heeft op 5 maart 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Het verzoek betrof twee bestuursrechtelijke beroepen met registratienummers SGR 21/3848 en SGR 21/5097.

De rechtbank beoordeelde dat de redelijke termijn in deze zaken was overschreden: in de eerste zaak met drie maanden en in de tweede met één maand. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de overschrijding konden rechtvaardigen. Op basis van het uitgangspunt van €500 per half jaar overschrijding werd een schadevergoeding van €1.000 toegekend.

Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €226,50 die verband houden met het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk gegrond was, conform artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Staat is veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding en €226,50 proceskosten aan verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/1607
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2025 op het verzoek om schadevergoeding in de zaken (SGR 21/ en SGR 21/5097) tussen
V [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: drs. F. Elidrissi),
en

De Minister van Veiligheid en Justitie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk gegrond is. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.

Beoordeling van het verzoek om schadevergoeding

1. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op de beroepen met reg. nr. SGR 21/3848 en SGR 21/5097. Volgens verzoeker is op die beroepen pas beslist nadat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, was verstreken.
2. De redelijke termijn is in een geval als dit in beginsel niet overschreden als de procedure vanaf het indienen van het beroepschrift niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Uitgangspunt daarbij is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.
3. Het beroep met reg. nr. SGR 21/3848 is op 2 juni 2021 ingesteld. Dat is de datum waarop de redelijke termijn in die zaak is aangevangen. De rechtbank had daarom uiterlijk op 2 december 2022 uitspraak moeten doen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken.
4. Op het beroep met reg. nr. SGR 21/3848 is op 7 februari 2023 uitspraak gedaan. [1] Dat betekent dat de redelijke termijn in dit beroep is overschreden met (afgerond naar boven) drie maanden.
5. Het beroep met reg. nr. SGR 21/5097 is op 28 juli 2021 ingesteld. Dat is de datum waarop de redelijke termijn in die zaak is aangevangen. De rechtbank had daarom uiterlijk op 28 januari 2023 uitspraak moeten doen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken.
6. Op het beroep met reg. nr. SGR 21/5097 is op 7 februari 2023 uitspraak gedaan. [2] Dat betekent dat de redelijke termijn in dit beroep is overschreden met (afgerond naar boven) één maand.
7. Verzoeker heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. Omdat deze overschrijdingen van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank zijn toe te rekenen, moet de schadevergoeding door de Staat worden betaald.
|
8. Er is aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 226,50 (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,25) voor verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van € 1.000,-, te betalen aan verzoeker;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de proceskosten van € 226,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.