De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Ivoriaanse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgeheven nadat de vreemdeling was overgedragen aan België. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of er recht was op schadevergoeding.
De minister had de bewaring opgelegd vanwege concrete aanknopingspunten voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank vond de gronden, op één uitzondering na, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De vermeende onvoldoende voortvarendheid bij de overdracht werd verworpen, omdat de minister binnen een redelijke termijn handelde en rekening hield met de vereisten van de Belgische autoriteiten.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van opheffing niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.