De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 januari 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden, namelijk dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a) en zich heeft onttrokken aan het toezicht door meerdere keren met onbekende bestemming te vertrekken en niet te voldoen aan de meldplicht (3b).
Eiser betwistte deze zware gronden, maar de rechtbank oordeelde dat deze feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De latere Dublinclaim verandert niets aan de eerdere illegale binnenkomst. Daarnaast is het risico op onttrekking en het niet naleven van de meldplicht voldoende onderbouwd.
Eiser stelde dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, waarbij hij aanvoerde dat het ontbreken van financiële middelen minder zwaar weegt dan het belang van vrijheidsbehoud. De rechtbank vond echter dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstaat, mede vanwege het risico op onttrekking.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.