Belanghebbende betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2022, gesteld op €1.140.000, en vordert een lagere waarde. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van vergelijkingsobjecten en een taxatieverslag.
Belanghebbende voert aan dat onjuist is uitgegaan van een verkeerde oppervlakte, maar de rechtbank stelt vast dat de juiste oppervlakte van 232 m2 is gehanteerd. Tevens stelt belanghebbende dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase, wat een procedureel gebrek oplevert. Dit gebrek wordt echter gepasseerd omdat belanghebbende zijn standpunt alsnog schriftelijk en mondeling kon toelichten.
Daarnaast vordert belanghebbende een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn op het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat de maximale dwangsom van 42 dagen is verbeurd en stelt deze vast op €1.442,-. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de heffingsambtenaar wordt opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.