ECLI:NL:RBDHA:2025:3744
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- A.C. Olland
- A.M.M. Vingerling
- K.M. Crooij-Heins
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling van vermissing wegens onvoldoende bewijs overlijden betrokkene
Verzoekster verzoekt de rechtbank om vaststelling van vermissing van haar echtgenoot, die sinds 2013 uitgereisd is naar Syrië en mogelijk door IS is geëxecuteerd. Zij baseert haar verzoek op verklaringen van een Franse journalist en de moeder van de betrokkene, evenals het ontbreken van contact sinds 2014. Verzoekster wijst op praktische problemen zoals gezamenlijk ouderlijk gezag en de juridische status van haar huidige echtgenoot.
Het Openbaar Ministerie betwist het verzoek en wijst op een internationaal arrestatiebevel wegens deelname aan terroristische activiteiten, dat nog steeds van kracht is. Het OM stelt dat de betrokkene mogelijk bewust het contact vermijdt om aanhouding te ontkomen en dat er ook aanwijzingen zijn dat hij nog in leven is.
De rechtbank oordeelt dat de aangevoerde bewijsstukken onvoldoende zijn om het overlijden aannemelijk te maken. De verklaringen zijn voornamelijk gebaseerd op horen zeggen en niet verifieerbaar. Het ontbreken van contact kan ook andere oorzaken hebben, waaronder het willen vermijden van autoriteiten. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de oproeping van de betrokkene te gelasten en wijst het verzoek af.
De rechtbank wijst verzoekster op alternatieve juridische procedures, zoals echtscheiding en afstammingsprocedures voor de kinderen van haar huidige partner. Er wordt geen kostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van vermissing wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het overlijden van de betrokkene.