Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 december 2024 (hierna: ‘het tussenvonnis’),
- de akte van de Politie van 22 januari 2025, met producties 3 en 4;
- de antwoordakte van [eiseres] van 19 februari 2025.
Rechtbank Den Haag
In deze civiele zaak stond centraal of de Politie in een aanbestedingsprocedure haar onderzoeksplicht en motiveringsplicht had nageleefd met betrekking tot de listprijzen die door inschrijvers waren gehanteerd. Eiseres stelde dat de Politie onvoldoende had aangetoond dat de winnende inschrijver geen manipulatieve of abnormaal lage prijzen had opgegeven.
De rechtbank verwees naar het tussenvonnis van 11 december 2024, waarin was vastgesteld dat de Politie niet de voorwaarde had gesteld dat alle listprijzen gelijk moesten zijn en dat er geen schending was van het transparantiebeginsel. De bewijsopdracht richtte zich op het aantonen dat de winnende inschrijver geen onjuiste of misleidende listprijzen had gebruikt.
De Politie overlegde een prijzenblad en een overzicht waaruit bleek dat slechts bij een beperkt aantal producten kleine verschillen in listprijzen bestonden tussen eiseres en de winnende inschrijver. Deze verschillen waren verwaarloosbaar, zowel qua aantal als financieel. Eiseres voerde aan dat de Politie niet volledig en naar waarheid had geïnformeerd, maar de rechtbank verwierp dit standpunt omdat de verschillen beperkt waren en de context van de bewijsopdracht duidelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de Politie aan haar onderzoek- en motiveringsplicht had voldaan en wees de vorderingen van eiseres af. Tevens werd eiseres veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af omdat de Politie voldoende heeft aangetoond dat er geen sprake is van manipulatie van listprijzen.