ECLI:NL:RBDHA:2025:384
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming grootouders tot voogden minderjarige
De moeder verzoekt de rechtbank om haar ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon te beëindigen en de grootouders te benoemen tot voogden. De moeder heeft een verstandelijke beperking en is feitelijk niet in staat het gezag uit te oefenen. De biologische vader is niet in beeld. De grootouders, ouders van de moeder, wonen samen met moeder en kind en hebben zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.
Hoewel de wet vereist dat een gezamenlijk voogdijverzoek wordt gedaan door een voogd en een ander die in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, en de grootouders geen voogd zijn, acht de rechtbank het verzoek gegrond vanwege instemming en bereidheid van de grootouders en het belang van het kind. De rechtbank vult de rechtsgronden ambtshalve aan op grond van artikel 25 Rv Pro en baseert het verzoek op artikel 1:282 BW Pro.
De rechtbank oordeelt dat het in het belang van de minderjarige is dat het gezag aan de grootouders wordt toegekend, mede omdat de moeder voornemens is te verhuizen en het kind bij de grootouders achterlaat. De beschikking beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder en benoemt de grootouders tot gezamenlijke voogden, uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de grootouders worden benoemd tot gezamenlijke voogden over de minderjarige.