ECLI:NL:RBDHA:2025:3887
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis
Eiser diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en kinderen in het kader van nareis. De minister heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waarna eiser de minister rechtsgeldig in gebreke stelde en vervolgens beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn door de minister is overschreden en dat het beroep terecht is ingediend. De rechtbank wijst een zitting af omdat partijen geen zitting wensten. De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van voortvarendheid bij beslissingen in nareiszaken en wijst het verzoek van de minister tot aanhouding af.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen, onder oplegging van een dwangsom.