ECLI:NL:RBDHA:2025:3912

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
NL25.5216
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister in proceskosten wegens niet tijdig beslissen op aanvraag vreemdeling

In een eerdere uitspraak heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag gegrond verklaard en de minister een beslistermijn van acht weken opgelegd met een dwangsom voor overschrijding.

In deze procedure stond het verzoek van eiser centraal om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt vast dat de minister alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van 31 augustus 2022 tijdens het beroep.

De minister voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de dwangsom nog niet volledig verbeurd was bij indiening. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat een opvolgend beroep ontvankelijk is zolang de dwangsom nog niet volledig is volgelopen.

Gelet hierop acht de rechtbank het beroep ontvankelijk en wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten als kennelijk gegrond toe. De proceskosten worden vastgesteld op € 453,50, gebaseerd op de puntenregeling uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag aan eiser.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5216

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere uitspraak (NL24.40685) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 9 december 2024 het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiser gegrond verklaard en daarbij aan de minister een beslistermijn van acht weken opgelegd. Daarbij is eveneens een dwangsom opgelegd van € 100,- voor elke dag dat de minister deze beslistermijn zou overschrijden, met een maximum van € 7500,-.
2. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het verzoek om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.
3. Omdat het verzoek als kennelijk gegrond wordt toegewezen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

4. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
5. De rechtbank stelt vast dat de minister aan verzoeker tegemoet is gekomen door tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker van 31 augustus 2022. De minister stelt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk zou zijn geweest, nu de rechterlijke dwangsom verbonden aan de uitspraak van 9 december 2024 nog niet volledig verbeurd was ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft echter bij uitspraak van 27 november 2024 [1] bepaald dat bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen nog steeds procesbelang bestaat, als op het moment van het indienen van het opvolgende beroep de rechterlijke dwangsom van het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen. Dit betekent dat een opvolgend beroep, ingediend op het moment dat de rechterlijke dwangsom uit het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen, toch ontvankelijk is. Gelet hierop zou, anders dan de minister betoogt, in onderhavige zaak toch sprake zijn geweest van een ontvankelijk opvolgend beroep. De rechtbank ziet, gelet op bovenstaande, dan ook grondslag voor het toewijzen van vergoeding van de proceskosten.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. Dat betekent dat verzoeker gelijk krijgt.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van J. Yedema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.