Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:3964

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
24/8623 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak inzake hervatting inhouding op uitkering wegens beslag ongegrond verklaard

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 19 december 2024, waarin het beroep van opposant tegen de hervatting van inhouding op zijn uitkering wegens een beslag gegrond werd verklaard. Opposant had bezwaar gemaakt tegen de inhouding van €40,50 per maand vanaf september 2024, welke door het college was medegedeeld in een brief die volgens de rechtbank wel een besluit in de zin van de Awb was.

De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het bezwaar van opposant ongegrond, omdat het college binnen het kader van het beslag was gebleven en rekening had gehouden met de beslagvrije voet. Opposant stelde in het verzet vooral vragen over de rechtsgeldigheid en omvang van de hoofdsom waarvoor beslag was gelegd, wat echter niet aan de orde is in het verzet.

De rechtbank oordeelt dat het verzet ongegrond is, omdat het geen nieuwe gronden bevat die tot een andere beoordeling leiden en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzet van opposant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8623 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 op het verzet van

[opposant], uit [woonplaats], opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 [2] in het geding tussen
opposant
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college.

Inleiding

Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2024 [3] waarin de rechtbank het beroep van opposant gegrond heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 december 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [4] is dat het beroep kennelijk gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
3. Het beroep van opposant ging over de hervatting van de inhouding op zijn uitkering in verband met een daarop gelegd beslag, in die zin dat vanaf september 2024 een bedrag van € 40,50 per maand op zijn uitkering zou worden ingehouden. Het college heeft opposants bezwaar hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de brief van 22 augustus 2024 waarin die hervatting van de inhouding aan hem werd meegedeeld, geen besluit inhield als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen die brief stond volgens het college daarom geen bezwaar open.
4. Eiser heeft tegen de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2024 beroep ingesteld.
De uitspraak van 19 december 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond geacht. Hieraan lag ten grondslag dat de rechtbank van oordeel was dat de brief van het college inzake de hervatting van de inhouding op de uitkering wel het karakter van een besluit had. Die inhouding leidde er immers toe dat opposant (opnieuw) een lagere uitkering kreeg. Verder was het ingehouden bedrag ook gewijzigd. Dat de inhouding op de uitkering direct voortvloeide uit een gelegd beslag leidde niet tot een ander oordeel. Eiser kon volgens de rechtbank dan ook tegen de brief van 22 augustus 2024 bezwaar maken.
6. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en zelf in de zaak voorzien door opposants bezwaar ongegrond te verklaren. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet ter beoordeling voorlag of bevoegdelijk rechtmatig en voor een juist bedrag beslag op de bijstandsuitkering van opposant was gelegd. De rechtbank was verder van oordeel dat het college bij het uitvoeren van het beslag was gebleven binnen het kader van het beslag. Verder was rekening gehouden met de regels over de beslagvrije voet. De uitkering die opposant ontving was daarom niet lager dan de voor hem geldende beslagvrije voet.
7. Omdat opposant met zijn bezwaar niet kon bereiken dat de inhouding op zijn uitkering ongedaan werd gemaakt, heeft de rechtbank daarom zijn bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
De gronden van verzet
8. Opposant heeft in verzet niets aangevoerd op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie komt dat het beroep van opposant ten onrechte vereenvoudigd is afgedaan. Opposant heeft met zijn gronden van verzet voornamelijk getracht de rechtsgeldigheid en omvang van de hoofdsom, waarvoor beslag is gelegd, opnieuw aan de orde te stellen. De verzetsmogelijkheid heeft echter alleen betrekking op de vraag of de bestuursrechter terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Verzet levert dus geen behandeling ten gronde van de hoofdzaak op.
9. Opposants gronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

10. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 december 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.zie voetnoot 2
4.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).