ECLI:NL:RBDHA:2025:3971
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid
De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag behandelde op 24 februari 2025 het verzoek tot wraking van kantonrechter O. van der Burg, ingediend door Stichting Juridisch Centrum. Het verzoek betrof de behandeling van een kortgedingzaak waarbij de gemachtigde van verzoekster te laat was en de kantonrechter besloot de zaak in diens afwezigheid voort te zetten.
Verzoekster stelde dat de kantonrechter vooringenomen was door de gemachtigde niet toe te staan zijn vorderingen toe te lichten, de zitting kort te houden en de gemachtigde te verwijderen toen deze alsnog verscheen en een wrakingsverzoek wilde doen. De kantonrechter verweerde zich door te stellen dat de zaak na een wachttijd van 15 minuten werd voortgezet om de voortgang te bewaken en dat de zitting was gesloten toen de gemachtigde arriveerde.
De wrakingskamer oordeelde dat uit de gang van zaken geen vooringenomenheid kon worden afgeleid. Procedurele beslissingen van de kantonrechter, ook als deze onjuist zouden zijn, vormen in beginsel geen grond voor wraking. De kamer concludeerde dat de korte behandeling en het sluiten van de zitting niet onbegrijpelijk waren en dat het wrakingsverzoek daarom werd afgewezen.
De beslissing werd op 10 maart 2025 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.