Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder
[bedrijfsnaam ] B.V., te [plaats ] , vergunninghoudster
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om een omgevingsvergunning te verlenen voor het graven en dempen van oppervlaktewater nabij een agrarisch gebied. De vergunning was aanvankelijk verleend op een onjuiste locatieaanduiding en met een onjuiste procedurele kennisgeving, wat door eiser werd aangevochten.
De rechtbank oordeelt dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op de aanvraag van toepassing is. Hoewel de locatieaanduiding in de vergunning onjuist was, is de feitelijke locatie voldoende vastgelegd in de aanvraag en situatietekening. De kennisgeving was onvolledig, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van het besluit. De bezwaarprocedure biedt ruimte voor volledige heroverweging en herstel van gebreken.
Verder heeft de rechtbank beoordeeld of de belangenafweging door verweerder zorgvuldig was. De nadelige gevolgen voor de doorstroming van oppervlaktewater en het woon- en leefklimaat van eiser zijn niet aannemelijk gemaakt als onevenredig. Bescherming van beschermde diersoorten zoals de heikikker en grote modderkruiper valt buiten het toetsingskader van de Wabo, mede omdat een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming reeds was verleend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de vergunningverlening, waarbij de gewijzigde juridische grondslag en locatieaanduiding als rechtmatig worden beschouwd.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.